HC 2: Theoretiseren over organisaties
Dit college gaat niet over één onderdeel van organisaties, maar over de bril waarmee je naar organisaties kijkt. Organisatiewetenschappers theoretiseren op fundamenteel verschillende manieren: sommigen willen verklaren en voorspellen, anderen willen begrijpen, weer anderen willen misstanden blootleggen of juist iets ontwerpen. Dit raamwerk komt in elk volgend college terug: bij structuur, cultuur, technologie, omgeving, macht en verandering wordt telkens gevraagd welke theoreticus bij welke vorm hoort. Het is daarmee een van de belangrijkste onderdelen van het tentamen.
- Ontologie: hoe zie je de aard van de werkelijkheid? Bestaat ze objectief, los van wie kijkt, of wordt ze door mensen geconstrueerd?
- Epistemologie: hoe kunnen we die werkelijkheid kennen en welke kennis is mogelijk? Algemene wetten, of altijd kennis gebonden aan tijd en plaats?
- Methodologie: hoe genereer je die kennis in je onderzoek? Kwantitatief (surveys, experimenten) of kwalitatief (interviews, observaties)?
- Axiologie: wat is het onderliggende doel en welke waarden spelen mee? Verklaren, begrijpen, emanciperen of ontwerpen?
- Deductie: van theorie naar hypothese naar data. Inductie: van data naar generalisatie en theorie.
Wat betekenen ‘organisatie’ en ‘theorie’?
Het college begint met de woordherkomst. ‘Organisatie’ gaat terug op het Griekse organon: werktuig, instrument voor een bepaald doel, en verwant aan ergon (werk, vergelijk ‘ergonomisch’). Een organisatie is dus een middel om iets te bereiken. ‘Theorie’ komt van theoria: beschouwing, aanschouwen (vergelijk ‘theater’). In het oude Griekenland waren theoroi mensen die buiten hun stadstaat reisden, evenementen bijwoonden, ervaringen opdeden en als een ander mens terugkeerden. Cornelissen en collega’s gebruiken dat beeld: theoretiseren verandert hoe je naar de wereld kijkt.
Waarom theorie?
Volgens Cornelissen, Höllerer en Seidl (2021) is theorie de kern van organisatiewetenschap:
- Theorie maakt het mogelijk dat onderzoekers met elkaar in gesprek gaan, dat grenzen verlegd worden en dat er een gedeelde identiteit ontstaat.
- Theoretiseren is het wetenschappelijke werk dat nodig is om goed onderbouwde kennisclaims te doen. Het omvat abstraheren, relateren, synthetiseren, hypothetiseren en formaliseren.
- Centraal staat conceptualiseren: onderwerpen benoemen (naming) en in een kader plaatsen (framing) met theoretische concepten. Een concept is een hulpbron om een fenomeen te benoemen en het te onderscheiden van verwante fenomenen.
Organisatietheorie is in deze termen: met behulp van concepten goed onderbouwde kennisclaims doen over organisaties.
Waarom aandacht voor verschillende vormen?
Romme schrijft dat geen enkele discipline of onderzoeksmethode in de sociale wetenschappen het monopolie op wijsheid heeft. Cornelissen en collega’s pleiten voor pluralisme: geen vorm van theoretiseren boven de andere stellen. De redenen:
- verschillende vormen hebben verschillende doelen;
- ze vragen om verschillende criteria om bijdrage en waarde te beoordelen, en wie dat door elkaar haalt, beoordeelt werk oneerlijk;
- samen leveren ze een rijkere theoretische basis voor het hele vakgebied.
Belangrijk: geen vorm is beter dan de andere. Ze vullen elkaar aan.
De vier vormen van theoretiseren
| Verklarend | Interpretatief | Emancipatoir | Ontwerpkundig | |
|---|---|---|---|---|
| Ontologie | Eén werkelijkheid, onafhankelijk te bestuderen | Werkelijkheid als subjectieve sociale constructie, instabiel en veranderlijk | Sociale constructie waarin ongelijkheid en dominantie besloten liggen | Werkelijkheid als object van verandering |
| Doel (axiologie) | Causale verbanden en mechanismen verklaren, voorspellen | Begrijpen hoe en waarom betekenissen en handelingen ontstaan | Deconstrueren, demystificeren, verborgen ‘structures of domination’ blootleggen | Systemen ontwerpen die nog niet bestaan, gewenste situaties creëren |
| Typische methode | Kwantitatief, deductief, hypothesen toetsen | Kwalitatief, inductief, theorie uit de data | Kwalitatief, inductief, met kritische reflectie op waarden | Interventionistisch, pragmatisch experimenteren, design proposities |
| Rolmodel | Natuurwetenschappen | Menswetenschappen (geschiedenis, sociologie, antropologie, taalwetenschap) | Menswetenschappen, vooral kritische stromingen | Ontwerp- en ingenieurswetenschappen |
| Voorbeelden in dit vak | Mintzberg, Weber, Hofstede, Woodward, Aston (Pugh), DiMaggio en Powell, March en Simon | Schein, Boje, Orlikowski, Mazmanian, Burns en Stalker, Wilhelm en Bort | Willmott, Sewell, Foucault, Clegg | Taylor, Peters en Waterman, Achterbergh en Vriens, Chesbrough, Christensen |
Verklarend theoretiseren
Gaat uit van één werkelijkheid, zowel bij natuurlijke als sociale verschijnselen, die je van buitenaf kunt bestuderen. Het doel is causale relaties, mechanismen en onderliggende structuren te vinden die uitkomsten verklaren. Je vindt deze vorm vaak in kwantitatief onderzoek: de relatie tussen minstens twee variabelen, gericht op voorspelling, sterk deductief (theorie levert hypothesen die je toetst). Voorbeeldvragen: leidt een bepaalde organisatiecultuur tot betere prestaties? Heeft charismatisch leiderschap een positief effect op motivatie tijdens strategie-implementatie? Cornelissen en collega’s onderscheiden binnen deze familie propositioneel theoretiseren (stellingen over verbanden), procestheorie (volgorde van stappen in de tijd) en configurationeel theoretiseren (typologieën en samenhangende patronen, zoals de configuraties van Mintzberg).
Interpretatief theoretiseren
Ziet de werkelijkheid als een subjectieve sociale constructie die nooit los van de waarnemer te analyseren is. Het doel is te begrijpen hoe en waarom mensen zaken zien zoals ze ze zien, zodat je fenomenen in een nieuw licht kunt plaatsen en nieuwe vragen kunt stellen. Meestal kwalitatief en inductief. Voorbeeldvragen: welke omstandigheden ervaren middenmanagers als belemmerend bij strategie-implementatie? Hoe kan een oude organisatie toch revolutionair veranderen? Cornelissen en collega’s noemen hier perspectivisch theoretiseren (een nieuwe lens op een fenomeen) en metatheoretiseren.
Emancipatoir theoretiseren
Lijkt op de interpretatieve vorm, maar is normatiever: de nadruk ligt op ongelijkheid die voortkomt uit bestaande systemen in organisaties, en die moet worden aangepakt. Het doel is deconstrueren en demystificeren: vaak verborgen machtsstructuren zichtbaar maken en laten zien hoe ze mensen beperken en de belangen van anderen dienen. De onderzoeker reflecteert ook kritisch op eigen aannames en op die van de onderzochte actoren. Voorbeeldvragen: hoe benadelen organisaties bepaalde groepen ten gunste van het management? Hoe wordt technologie ingezet om mensen te controleren? In het artikel van Cornelissen en collega’s valt dit onder vormen van kritiek (provocatief en kritisch metatheoretiseren).
Ontwerpkundig theoretiseren
Ziet de werkelijkheid als iets dat je kunt veranderen. Het doel is bewezen design proposities te ontwikkelen waarmee je nieuwe systemen ontwerpt voor specifieke, unieke probleemsituaties. Het gaat om kennis over systemen die nog niet bestaan, kennis die bruikbaar is en tegelijk te valideren. Voorbeeldvragen: hoe ontwerp je een organisatie die zowel efficiency als arbeidstevredenheid verhoogt? Hoe pas je informatiesystemen aan zodat ze werknemers zo goed mogelijk ondersteunen?
Cornelissen, Höllerer en Seidl (2021): wat theorie is en kan zijn
Dit redactionele essay in het tijdschrift Organization Theory constateert dat er weinig is geschreven over wat theorie eigenlijk is. Daardoor sluipen impliciete opvattingen binnen, bijvoorbeeld dat theorie altijd een set verklarende mechanismen of wetmatige verbanden moet zijn. Dat is maar één opvatting. De auteurs beschrijven een breed palet:
- Verklarende vormen: propositioneel, proces en configurationeel.
- Interpretatieve vormen: perspectivisch theoretiseren en metatheoretiseren.
- Kritiek: vormen die gangbare aannames provoceren of kritisch doorlichten.
Per vorm verschillen het doel, de manier van redeneren, het soort bijdrage en de manier waarop een artikel wordt opgeschreven. Hun conclusie is een pleidooi voor intellectueel pluralisme: onderzoekers moeten niet alleen erkennen dat andere tradities bestaan, maar ook geloven dat die iets wezenlijks toevoegen, en actief werk uit andere tradities lezen. Kritiek zet aan tot nieuw denken; verklarende en interpretatieve vormen geven samen een rijker beeld.
Romme (2003): organisatie als ontwerp
Romme constateert een hardnekkige kloof tussen theorie en praktijk (de relevance gap). Organisatieonderzoek leunt op twee rolmodellen: de wetenschap en de geesteswetenschappen. Hij pleit ervoor ontwerp (design) als derde, gelijkwaardige manier van onderzoek doen toe te voegen.
| Wetenschap (science) | Geesteswetenschappen (humanities) | Ontwerp (design) | |
|---|---|---|---|
| Doel | Fenomenen begrijpen door algemene patronen en krachten bloot te leggen | De menselijke ervaring in organisaties weergeven, begrijpen en er kritisch op reflecteren | Systemen maken die nog niet bestaan: bestaande situaties veranderen in gewenste |
| Kennisopvatting | Representatief: kennis beschrijft de wereld zoals die is | Constructivistisch en narratief: kennis komt voort uit wat actoren denken en zeggen | Pragmatisch: kennis in dienst van handelen, normatief en synthetisch |
| Object | Empirische objecten, van buitenaf te bestuderen | Het discours van actoren en onderzoekers | Kunstmatige objecten met beschrijvende én gebiedende eigenschappen, vanuit een insiderspositie |
| Kernvraag | Is de hypothese geldig? | Is een ervaring ‘goed’ of ‘eerlijk’? | Werkt een samenhangende set design proposities in deze situatie? |
Kenmerken van ontwerp volgens Romme: elke situatie is uniek; je werkt vanuit bredere doelen en ideale doelsystemen; je denkt in systemen; je werkt met beperkte informatie; participatie en dialoog zijn belangrijk; en je toetst in pragmatische experimenten. Een design propositie heeft de vorm ‘om A te bereiken in situatie S, doe D’. Is ze in de praktijk getest en empirisch onderbouwd, dan spreekt hij van een design rule.
Zijn voorbeeld is het circulaire organisatieontwerp (sociocratie) van de Nederlandse ondernemer Gerard Endenburg. Hij experimenteerde vanaf de jaren zeventig in zijn elektrotechnische bedrijf met een circulaire structuur bovenop de hiërarchie, omdat de ondernemingsraad vooral conflicten opleverde. Een van de regels: beleidsbesluiten worden genomen op basis van consent, dat wil zeggen ‘geen beargumenteerd bezwaar’. Het ideale doelsysteem hielp managers hun probleem anders te zien: niet ‘lage betrokkenheid van medewerkers’, maar ‘te weinig kansen op participatie en te weinig vertrouwen om bevoegdheden te delegeren’. Romme sluit af met de oproep dat organisatiewetenschappers mensen kunnen helpen hun organisaties humaner, participatiever en productiever te maken.
Toegepast op Taylor (uit HC3)
In het structuurcollege wordt het raamwerk toegepast op Taylor. Methode: experiment met tijd- en bewegingsstudies (voormeting, interventie, nameting). Methodologie: duidelijk afgebakende vraag, deductief, empirische validatie (positivisme). Epistemologie: kennis komt uit waarneming van de werkelijkheid. Ontologie: één zichtbare realiteit (realisme). Tegelijk is Taylor in het raamwerk een voorbeeld van ontwerpkundig theoretiseren: hij wil werk opnieuw inrichten. Zo zie je dat een theoreticus vooral op zijn doel wordt geplaatst.
- Ken de vier vormen met hun ontologie, doel, methode en rolmodel, en kun theoretici uit alle colleges aan een vorm koppelen.
- Ken de vier filosofische vragen: ontologie, epistemologie, methodologie, axiologie.
- Cornelissen et al. (2021): conceptualiseren als naming en framing, de verschillende vormen (propositioneel, proces, configurationeel, perspectivisch, meta, kritiek) en het pleidooi voor pluralisme.
- Romme (2003): science, humanities en design als drie gelijkwaardige modi; design proposities, ideale doelsystemen, pragmatisch experimenteren, het circulaire ontwerp van Endenburg.
- Geen vorm is beter dan de andere: ze beantwoorden verschillende vragen.