Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 3: Introductie wetenschapsfilosofie

Dit hoofdstuk gaat over de vraag hoe we eigenlijk weten wat we weten. Elke onderzoeker, en elke manager die een rapport leest, gaat uit van aannames over wat de werkelijkheid is en hoe je daar kennis over krijgt. Die aannames heten paradigmatisch en zijn meestal onuitgesproken. Het college gebruikt de geschiedenis uit HC 2 als voorbeeld: Taylor werkte vanuit een heel ander wereldbeeld dan de onderzoekers die later naar betekenis en cultuur keken. Je leert de begrippen ontologie, epistemologie, methodologie en axiologie, de vier ontologische posities van Easterby-Smith en de vier paradigma's van het kwadrantenmodel van Van der Auweraert en Niessen.

Start hier als dit nieuw voor je is
  • Paradigma: een samenhangend wereldbeeld van een onderzoeker of onderzoeksgemeenschap. Het begrip werd populair door Thomas Kuhn: wetenschap groeit meestal in kleine stapjes binnen een paradigma, maar soms passen nieuwe resultaten niet meer en volgt een wetenschappelijke revolutie met een nieuw paradigma.
  • Deductie: vanuit een theorie een hypothese afleiden en die toetsen in de praktijk. Inductie: vanuit waarnemingen in de praktijk een theorie opbouwen. De onderzoekscyclus wisselt die twee af: theorie, deductie, praktijk, inductie, theorie, enzovoort.
  • Kwantitatief onderzoek werkt met cijfers en grote steekproeven, kwalitatief onderzoek met woorden, interviews, observaties en kleine aantallen.

Vier bouwstenen van een paradigma

BouwsteenVraagToelichting
OntologieWat is de aard van de werkelijkheid?Bestaat de werkelijkheid onafhankelijk van de waarnemer, of wordt ze door mensen gemaakt?
EpistemologieWat is kennis en hoe komt die tot stand?Is ware kennis mogelijk, of is kennis altijd een sociaal construct dat ontstaat in interactie?
MethodologieHoe doe je onderzoek?De strategie: welke combinatie van methoden past bij de vraag en de aannames.
AxiologieWelke waarde staat centraal in het onderzoek?Waarom doe je onderzoek: waarheid vinden, een praktijkprobleem oplossen, meervoudigheid zichtbaar maken of onderdrukte groepen een stem geven?

De eerste drie bouwstenen komen van Guba en Lincoln. Axiologie (waardeleer) werd later toegevoegd: de auteurs zeiden zelf dat ze, als ze opnieuw moesten beginnen, waarden meteen als fundament zouden opnemen. Binnen één paradigma vormen de antwoorden op deze vragen een logisch geheel; tussen paradigma's kunnen ze zo verschillend zijn dat ze incommensurabel (onvergelijkbaar) zijn. Daardoor praten onderzoekers uit verschillende paradigma's vaak langs elkaar heen: een Babylonische spraakverwarring.

Easterby-Smith en collega's gebruiken de metafoor van een boom. De wortels zijn de onderzoekstradities. De stam heeft vier ringen: in de kern de ontologie, dan de epistemologie, dan de methodologie, en als buitenste schors de methoden en technieken (interviews, vragenlijsten). Van buitenaf zie je alleen de schors, maar zonder stevige binnenringen waait een onderzoek bij kritiek zo om. De bladeren zijn de dataverzameling en de vruchten de onderzoeksresultaten: "harde" vruchten zoals een walnoot bij positivistisch onderzoek, "zachte" zoals druiven bij constructionistisch onderzoek, en een pruim met harde pit en zacht vruchtvlees bij gemengde methoden.

Ontologie: van realisme naar nominalisme

Easterby-Smith plaatst vier ontologische posities op een continuüm.

RealismeIntern realismeRelativismeNominalisme
WaarheidEén waarheidDe waarheid bestaat, maar is niet direct zichtbaarEr zijn meerdere waarhedenEr is geen waarheid
FeitenBestaan en kunnen worden blootgelegdZijn concreet, maar niet direct toegankelijkHangen af van het standpunt van de waarnemerZijn allemaal menselijke creaties
  • Realisme: de wereld is echt en bestaat onafhankelijk van onze waarneming. Wetenschap baseert zich op harde feiten.
  • Intern realisme: er is één werkelijkheid die onafhankelijk van de mens bestaat, maar we kunnen die alleen indirect waarnemen. Het voorbeeld is de bellenkamer waarin je deeltjes niet ziet maar wel hun spoor. Ontdekte wetten zijn wel absoluut.
  • Relativisme: wetenschappelijke wetten worden door mensen gemaakt die in een context zitten; wat als waar geldt, wordt bereikt door discussie en overeenstemming en kan verschillen per plaats en tijd. Het klimaatdebat is een voorbeeld: dezelfde gegevens, maar partijen kiezen het bewijs dat hen uitkomt.
  • Nominalisme: de werkelijkheid wordt door ons gecreëerd, via taal en de namen die we aan dingen geven. Er is geen waarheid; de interessante vraag is hoe mensen verschillende versies van de waarheid proberen te vestigen. Het label "institutioneel racisme" is een voorbeeld van hoe een benaming een werkelijkheid zichtbaar maakt.

Het voorbeeld winst laat het verschil mooi zien. De realist ziet één getal: inkomsten min uitgaven. De interne realist ziet een benadering van de "echte" winst, omdat er keuzes zijn over overnames en het toerekenen aan jaren. De relativist zegt dat winst maar één van de indicatoren van gezondheid is, naast groei en innovatie. De nominalist kijkt hoe het winstcijfer wordt geconstrueerd, bijvoorbeeld om belasting te ontwijken of bonussen te maximaliseren.

Epistemologie: positivisme versus sociaal constructivisme

Positivisme stelt dat de sociale wereld extern bestaat en dat je haar eigenschappen objectief kunt meten. Comte zei al dat er geen echte kennis is dan die gebaseerd op waargenomen feiten. Kenmerken die bij het positivisme horen:

  • Onafhankelijkheid: de onderzoeker staat los van wat hij onderzoekt.
  • Waardevrijheid: wat en hoe je onderzoekt bepaal je met objectieve criteria.
  • Causaliteit: het doel is oorzaak-gevolgrelaties en wetten vinden.
  • Hypothese en deductie: hypotheses opstellen en toetsen.
  • Operationaliseren: begrippen zo definiëren dat je ze kwantitatief kunt meten.
  • Reductionisme: problemen opdelen in de eenvoudigste elementen.
  • Generaliseren: grote, aselecte steekproeven om uitspraken te doen over de populatie.
  • Cross-sectionele analyse: regelmatigheden vinden door variaties tussen groepen te vergelijken.

Sociaal constructivisme (ook constructionisme of interpretivisme) ontstond als reactie op het beperkte succes van positivisme in de sociale wetenschappen. De werkelijkheid is niet objectief en extern, maar wordt sociaal geconstrueerd en krijgt betekenis in dagelijkse interactie, vooral via taal. Het Thomas-theorema vat het samen: als mensen een situatie als echt definiëren, is ze echt in haar gevolgen. De onderzoeker moet daarom begrijpen welke betekenissen mensen aan hun ervaringen geven, in plaats van alleen frequenties te meten.

PositivismeSociaal constructivisme
OnderzoekerOnafhankelijk, toeschouwerOnderdeel van wat wordt onderzocht, deelnemer
Menselijke belangenHoren irrelevant te zijnZijn de drijfveer van wetenschap
VerklaringenMoeten causaliteit aantonenVergroten het algemene begrip van de situatie
Voortgang viaHypotheses en deductiesRijke data waaruit ideeën worden geïnduceerd
BegrippenMeetbaar gedefinieerdBevatten perspectieven van betrokkenen
Analyse-eenheidZo eenvoudig mogelijkMag de complexiteit van de hele situatie bevatten
Generaliseren viaStatistische kansrekeningTheoretische abstractie
SteekproefGroot en aselectKlein, gericht gekozen gevallen

De koppeling van ontologie, epistemologie en methodologie

OntologieRealismeIntern realismeRelativismeNominalisme
EpistemologieSterk positivismePositivismeConstructivismeSterk constructivisme
DoelOntdekkenBlootleggen (verklaren)ConvergerenUitvinden
StartpuntHypothesesPropositiesVragenKritieken
OntwerpExperimentenGrote surveysCasussen en kleinere surveysBetrokkenheid, onderdompelen en reflexiviteit
DataCijfers en feitenVooral cijfers, wat woordenVooral woorden, wat cijfersDiscours en ervaringen
AnalyseVerificatie of falsificatieCorrelatie en regressieTriangulatie en vergelijkingBetekenisgeving, begrijpen
UitkomstBevestiging van theorieTheorie toetsen en ontwikkelenTheorie genererenNieuwe inzichten en acties

Het is makkelijker om naburige posities te combineren dan uitersten. Triangulatie betekent dat je verschillende methoden of databronnen combineert om een vollediger beeld te krijgen, zoals een zeevaarder vroeger met drie kompaspeilingen zijn positie bepaalde. Het past vooral bij de constructivistische positie die meerdere perspectieven verzamelt.

Sterke en zwakke punten. Positivistisch onderzoek kan een breed bereik hebben, snel en goedkoop zijn en overtuigend voor beleidsmakers, maar is star en kunstmatig, weinig geschikt voor processen en betekenissen, en geeft weinig houvast voor toekomstig handelen. Constructivistisch onderzoek is goed in processen, betekenissen en theorievorming en verzamelt natuurlijke data, maar kost veel tijd, de interpretatie is lastig, toegang tot de onderzochten kan moeilijk zijn, tegenstrijdige informatie is lastig te verenigen en beleidsmakers vinden het vaak "subjectief".

Het kwadrantenmodel van Van der Auweraert en Niessen

Van der Auweraert en Niessen (2024) willen het gesprek over paradigma's ook in praktijkgericht onderzoek op gang brengen. Ze clusteren paradigma's in vier groepen en brengen de verschillen terug tot twee dimensies:

  1. De positie van de onderzoeker: toeschouwer of deelnemer. De toeschouwer werkt op afstand, probeert zijn invloed te beperken en waardevrij te zijn (sinds Kant de scheiding tussen kennend subject en onderzocht object). De deelnemer is intens betrokken, ziet kennis als iets dat ontstaat in interactie, en is transparant over zijn eigen perspectief en invloed.
  2. De focus: begrijpen of ingrijpen. Bij begrijpen komen eerst kennis en daarna oplossingen. Bij ingrijpen wisselen kennisontwikkeling en praktijkontwikkeling elkaar voortdurend af, zoals bij ontwerpgericht onderzoek en actieonderzoek.
OntdekkenToekennenOntwerpenTransformeren
ParadigmaPositivisme / postpositivismeSociaal constructivisme / interpretivismePragmatismeKritische theorie / participatorisch paradigma
Positie en focusToeschouwer, begrijpenDeelnemer, begrijpenToeschouwer, ingrijpenDeelnemer, ingrijpen
OntologieEén werkelijkheid daarbuiten, met orde, patronen en oorzaak-gevolgWerkelijkheid is een intersubjectieve constructie; meerdere interpretaties naast elkaarWerkelijkheid is maakbaar en uitvindbaarWerkelijkheid is fluïde en ontstaat in de ontmoeting met anderen
Wanneer is een bewering waar?Als ze de werkelijkheid accuraat beschrijft (postpositivisme: kennen is altijd imperfect)Als betrokkenen er een herkenbare interpretatie van hun ervaring in zienAls het in de praktijk werkt of nut heeftAls betrokkenen het als authentiek ervaren
AxiologieWaarheidsvindingMeervoudigheid van de werkelijkheid zichtbaar makenWerkzaamheid: bijdragen aan de oplossing van het praktijkprobleem (niet neutraal)Groei en empowerment; onderdrukkende structuren zichtbaar maken en gemarginaliseerden een stem geven
BenaderingEmpirisch-analytisch onderzoek, experiment, surveyInterpretatief onderzoek, interviewsOntwerpgericht onderzoek, design-based research(Participatief) actieonderzoek
ProcesLineair, vaste vraagLineair flexibel, vraag wordt scherperCyclischKort-cyclisch, open
Rol onderzochtenDataleverancierDataleverancier, soms meedenkendGebruiker, soms cocreatieMedeonderzoeker
Wanneer succesvolGeneraliseerbaar, valide, betrouwbaarInterpretatie sluit aan bij de ervaring van betrokkenenHet ontwerp werkt (pragmatisch valide)Betrokkenen ervaren dat de situatie authentiek is verbeterd

Voorbeelden uit het artikel: onderzoek naar de effectiviteit van interventies voor kritisch denken (ontdekken); onderzoek naar acculturatie van jonge Marokkaanse Nederlanders (toekennen); een digitale tool voor interactie tussen kinderen met en zonder autisme (ontwerpen); actieonderzoek naar informeel leren in verpleeghuizen (transformeren). Bij het thema "onderzoekend vermogen van studenten" vraagt de ontdekker welke interventies het effectief ontwikkelen, de toekenner welke betekenis het heeft voor het beroep, de ontwerper hoe onderwijsteams het kunnen ondersteunen en de transformeerder hoe het kan groeien in een meervoudige onderwijspraktijk.

Waarom is dit nuttig? Wie zijn eigen positie kent, kan een passende vraag, methode en kwaliteitscriterium kiezen, en begrijpt waarom anderen het niet met hem eens zijn. Validiteit betekent voor een positivist iets anders (meten wat je wilt meten) dan voor een participatorisch onderzoeker (de ervaren werkelijkheid veranderen).

Toegepast op de geschiedenis van management

Taylor als positivist en realist. Scientific management bestudeert management zoals een natuurwetenschapper. Management vindt "daarbuiten" plaats, is waarneembaar en meetbaar, bestaat onafhankelijk van de onderzoeker, bevat orde en patronen, kent duidelijke oorzaak en gevolg (management doet X, werknemer doet altijd Y) en kent een absolute waarheid, zoals water altijd kookt bij 100 graden. De drie kernpunten van dat realisme: generaliseren, causaliteit en zichtbaar/meetbaar. De methode was het experiment (time and motion), de methodologie deductief met empirische verificatie, de epistemologie positivistisch (kennis komt uit het waarnemen van de werkelijkheid) en de ontologie realistisch (één zichtbare werkelijkheid). Metingen moeten betrouwbaar zijn, los van wie meet; ervaring, intuïtie en terugblikken tellen niet.

Ford als pragmaticus. Waar Taylor wetmatigheden zocht, ging Ford uit van een maakbare en uitvindbare wereld. Het doel was niet waarheid maar werkzaamheid: een oplossing voor een praktijkprobleem.

Hawthorne en intern realisme. Bij de human relations beweging werd duidelijk dat je niet alles van management direct kunt zien. De waarheid bestaat, maar is moeilijk waarneembaar; feiten bestaan, maar zijn niet direct toegankelijk. Dat is een afzwakking van realisme: intern realisme, een gevolg van management bestuderen als een sociale wetenschapper.

Wat is uniek aan het bestuderen van mensen? Mensen beïnvloeden elkaar (ook de onderzoeker en de onderzochte), mensen creëren cultuur (een netwerk van gedeelde subjectieve betekenissen) en een groep ontwikkelt via taal gezamenlijk een waarheid. Dat is sociaal constructivisme.

Het voorbeeld kleur. Wat is de voorkeur van mensen voor kleur? De realist kijkt naar de RAL-code, de objectief meetbare kleur. De interne realist zoekt de betekenis van kleur in relatie tot voorkeur: lastiger te zien, maar er is één algemeen patroon. De sociaal constructivist zegt dat de betekenis van kleur afhangt van de groep: in 1918 adviseerde een Amerikaans tijdschrift ouders roze voor jongens en blauw voor meisjes, precies andersom dan nu. Onderzoek daarnaar is taalonderzoek: hoe wordt de betekenis van kleur beschreven? De ontologie is dan nominalistisch.

Andere stromingen in vogelvlucht

Easterby-Smith zet paradigma's ook in een matrix met de dimensies positivistisch versus constructionistisch en afstandelijk versus betrokken (engaged). Enkele stromingen: kritisch realisme (realistische ontologie, maar met oog voor betekenis en macht; drie domeinen: empirisch, actueel en reëel), hermeneutiek (teksten interpreteren in de context waarin ze geschreven zijn), postmodernisme (kritiek op wetenschappelijke vooruitgang, geen enkele objectieve waarheid), pragmatisme (kennis komt voort uit de geleefde ervaring), kritische theorie (Habermas: kennis wordt bepaald door belangen; de machtigen bepalen wat als waar geldt), feminisme (ervaringen van vrouwen zijn ondergewaardeerd door samenleving en wetenschap) en structuratietheorie (Giddens: structuur en handelen produceren elkaar).

Voor het tentamen
  • Ken de vier bouwstenen en vooral axiologie: waardeleer, de waarde die centraal staat in onderzoek.
  • Intern realisme: de waarheid bestaat maar is niet altijd goed waarneembaar; feiten zijn niet direct toegankelijk; het is een afgezwakte vorm van realisme. De stelling dat feiten direct toegankelijk zijn klopt dus niet voor intern realisme.
  • Herken constructivisme in een casus: intensief contact met de onderzoekspopulatie nodig, moeilijke toegang en lastig om tegenstrijdige informatie te verenigen.
  • Kun de vier kwadranten (ontdekken, toekennen, ontwerpen, transformeren) koppelen aan paradigma, positie (toeschouwer of deelnemer) en focus (begrijpen of ingrijpen).
  • Kun Taylor plaatsen als realist en positivist en uitleggen waarom het kleurvoorbeeld sociaal constructivisme illustreert.

Andere hoofdstukken van Inleiding Gedrag in Organisaties en Werk

Test jezelf met oefenvragen