Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 2: Beslissen

Hoe nemen mensen, en managers in het bijzonder, morele beslissingen? Dit college behandelt de drie grote ethische theorieën: gevolgenethiek (utilitarisme), plichtethiek (deontologie) en deugdethiek. Daarnaast komen andere perspectieven aan bod (Kohlberg, Simon, Werhane) en eindigt het met de continentale kritiek: morele beslissingen zijn vaak geen rekensom maar een beproeving, en de betekenis van morele begrippen is glibberig (Derrida's différance). De stof komt uit het hoofdstuk "Beslissingen" uit Bedrijfsethiek. Filosofische perspectieven van Ten Bos en Painter-Morland. Dit is het college waarin je het gereedschap krijgt om een casus met een ethische theorie te analyseren.

Start hier: drie vragen, drie theorieën

Je kunt een morele beslissing op drie manieren beoordelen:

  • Wat zijn de gevolgen? Levert de handeling per saldo meer geluk dan leed op? Dat is de vraag van de gevolgenethiek.
  • Wat is mijn plicht? Is de handeling op zichzelf juist, ongeacht de gevolgen? Dat is de vraag van de plichtethiek.
  • Wat voor persoon wil ik zijn? Getuigt de handeling van een goed karakter (moed, eerlijkheid, gematigdheid)? Dat is de vraag van de deugdethiek.

De drie benaderingen in vogelvlucht

BenaderingCentraal staatSluit aan bijTypische vraag
Utilitarisme (gevolgenethiek, consequentialisme)Nut: de gevolgen van een handeling voor het geluk van zoveel mogelijk mensenManagement (rationele keuzetheorie, kosten en baten)Welke optie levert het meeste totale geluk op?
Plichtethiek (deontologie)Plicht: regels en principes die gelden ongeacht de uitkomstDe juridische wereldMag ik dit doen, los van wat het oplevert?
DeugdethiekHet karakter en de morele houding van mensen en gemeenschappenPolitiek en management (cultuur, integriteit, 'de juiste houding')Wat zou een goed mens in deze situatie doen?

Belangrijk: in de praktijk lopen deze benaderingen door elkaar heen, en er bestaan nog veel meer benaderingen. Het college richt zich vooral op het utilitarisme, omdat dat het best aansluit bij het "gezond verstand" van het management uit college 1.

Utilitarisme: een gevolgenethiek

Het utilitarisme is een consequentialisme: een handeling is goed of slecht vanwege haar gevolgen. Het uitgangspunt is dat mensen onder normale omstandigheden de beslissingen kiezen die hun belangen het best dienen. In managementhandboeken heet dat rationele keuzetheorie (rational choice theory). In de aantekeningen staat het zo: je rekent iemand af op de resultaten.

Jeremy Bentham en het klassieke utilitarisme

Met Jeremy Bentham (1748-1832) begint het klassieke utilitarisme. Hij was een wonderkind (Latijn op jonge leeftijd, vele talen) en een sociale hervormer: hij pleitte voor gelijke rechten voor vrouwen en zelfs voor homoseksuelen, en ontwierp een nieuw type gevangenis, het panopticon. Ook dat ontwerp was utilitaristisch gedacht: wat is het nut van straffen als het niet bijdraagt aan meer geluk, bijvoorbeeld via heropvoeding en terugkeer in de samenleving?

Benthams beroemdste gedachte: de natuur heeft de mens onder het gezag van twee soevereine meesters geplaatst, plezier en pijn. Alleen zij vertellen ons wat we moeten doen en bepalen wat we zullen doen. Cruciaal is dat het niet om individueel plezier gaat. Een goede handeling verhoogt het plezier van zoveel mogelijk mensen.

  • Nuttig is alles wat het plezier van zoveel mogelijk mensen vergroot. Deugdzaam is wie daarvoor zorgt. Politici, managers en hoogleraren deugen dus als ze het algemene plezier vergroten.
  • Nut is kwantitatief: plezier en geluk kunnen en moeten gemeten en in getallen uitgedrukt worden. Bentham wil een morele rekenkunde, een hedonistische of felicific calculus (Grieks hedonè en Latijn felix staan voor plezier en geluk). Ethiek wordt zo een wetenschap.
  • Morele oordelen mogen niet op emoties (afkeer, afgunst, liefde) gebaseerd zijn, want dan wordt moraal een kwestie van smaak. Bentham zoekt een objectief fundament waarover mensen het rationeel eens kunnen worden. Je mag een hekel hebben aan een levensstijl, maar als die levensstijl bijdraagt aan meer geluk, moet je haar toestaan.
  • Kerngedachte: er bestaan geen intrinsiek goede of slechte handelingen. Vrijheid, democratie, gezondheid, duurzaamheid en globalisering zijn op zichzelf niet goed of slecht; dat hangt af van hun uitkomsten. Bentham denkt instrumenteel: waarden zijn middelen op weg naar meer of minder geluk.
  • Politiek gevolg: een beleid (meer vrouwen in de top, een handelsboycot, het homohuwelijk) is niet principieel goed of fout. Dezelfde wet kan in de ene situatie goed en in de andere slecht zijn. De kritische vraag is dan: geloven we nog in principes, of moeten we steeds opnieuw rekenen?
Wie bedacht het woord deontologie?

Een bekende strikvraag: het woord deontologie (plichtenleer) werd bedacht door Jeremy Bentham, die het gebruikte om de plichtethici aan te duiden. Kant is weliswaar de grote plichtethicus, maar de term is van Bentham.

John Stuart Mill: opvolger en criticus

John Stuart Mill (1806-1873) was Benthams belangrijkste opvolger en tegelijk zijn criticus. Ook hij was een wonderkind, door zijn vader onder invloed van Bentham opgevoed. Hij trouwde met Harriet Taylor, een belangrijke voorvechter van het vrouwenkiesrecht; samen waren ze groot voorstander van gelijkheid voor vrouwen (The Subjection of Women). Mill was ook politiek actief, bijvoorbeeld voor het onderdrukte Ierse volk.

Mills kritiek op Bentham:

  1. Niet alle plezier is gelijk. Bentham dacht egalitair over plezier: plezier is plezier. Mill onderscheidt hogere en lagere genoegens. Dronken worden geeft een ander soort plezier dan het lezen van een mooi gedicht (vergelijk het onderscheid tussen eudaimonia, een goed geleefd leven, en hedonè, zintuiglijk genot).
  2. Mensen zijn geen dieren. Als alle genoegens gelijk zijn, zijn dierlijke genoegens evenveel waard als menselijke, en zijn mensen moreel niet meer waard dan dieren. Dat kon Mill niet aanvaarden. Vandaar zijn beroemde uitspraak dat het beter is een ontevreden mens te zijn dan een tevreden varken, en beter een ontevreden Socrates dan een tevreden dwaas.

Toch blijft Mill een utilitarist. Ook voor hem bestaat het goede uiteindelijk in plezier, en ook hij denkt instrumenteel over morele categorieën: hij omarmt het feminisme om utilitaristische redenen, niet omdat gelijkheid intrinsiek goed is. Verder verwerpt hij het idee van een "natuurlijke orde" in de economie: dat arbeid welvaart schept is natuurlijk, maar hoe die welvaart verdeeld wordt is mensenwerk, een kwestie van politiek en economie.

Immanuel Kant: plichtethiek

Tegenover de gevolgenethiek staat de plichtethiek van Immanuel Kant (1724-1804). Voor Kant hangt de moraliteit van een handeling niet af van de gevolgen, maar van de vraag of je uit plicht handelt volgens een principe dat voor iedereen kan gelden. In de aantekeningen heet dit ook bedoelingenethiek: je kunt iemand weinig verwijten als zijn intentie goed was, ook als het slecht uitpakt.

  • Categorische versus hypothetische imperatief. Een hypothetische imperatief is voorwaardelijk: "als je X wilt, moet je Y doen" (als je klanten wilt houden, moet je eerlijk zijn). Een categorische imperatief geldt onvoorwaardelijk: "wees eerlijk", punt. Alleen de categorische imperatief is werkelijk moreel.
  • Doel in zichzelf. Behandel de ander altijd ook als doel in zichzelf en nooit alleen als middel. Kant verzet zich daarmee tegen manipulatie: iemand gebruiken voor je eigen doel.
  • Verder kernbegrippen: autonomie (jezelf de morele wet opleggen), vrijheid (ook als vrijheid van de context), het noumenale subject (de mens als redelijk wezen achter de verschijningen), moed om je eigen verstand te gebruiken, en de plicht om ethisch te zijn.
  • Het idee van het "alsof": we handelen alsof we vrij en redelijk zijn, ook al kunnen we dat niet bewijzen. Dit alsof-denken komt in latere colleges terug (Habermas in college 3, Kantorowicz in college 5, antroponomie in college 11).

Andere perspectieven op moreel beslissen

PerspectiefDenkerKern
DeugdethiekAristoteles en navolgersNiet de regel of de uitkomst maar het karakter: moed, rechtvaardigheid, gematigdheid. Goed handelen is handelen zoals een deugdzaam mens dat doet. Normen en waarden moet je steeds samen bespreken.
Morele ontwikkelingstheorieLawrence KohlbergMorele oordelen ontwikkelen zich in drie niveaus: preconventioneel (straf vermijden, eigenbelang), conventioneel (goede jongen of meisje zijn, wet en orde) en postconventioneel (sociaal contract, universele principes).
Begrensde rationaliteitHerbert SimonBeslissers hebben beperkte cognitieve capaciteit, onvolledige informatie en tijdsdruk. Ze zoeken daarom niet het optimum maar een oplossing die goed genoeg is (satisficing), wat tot suboptimale beslissingen leidt.
Morele verbeeldingPatricia WerhaneHet vermogen om je in te leven in anderen en de gemeenschap, en buiten je eigen mentale kaders te treden om nieuwe, moreel betere opties te zien.

Kritiek vanuit de continentale filosofie

Het hoofdstuk eindigt met een kritiek op regelgestuurde ethiek, of het nu om utilitaristische rekensommen of kantiaanse regels gaat:

  • Regelgestuurde ethiek begrijpt niet wat verantwoordelijkheid is. Wie alleen een regel volgt, neemt geen persoonlijke verantwoordelijkheid.
  • Ze mist het aporetische karakter van ethiek. Morele beslissingen zijn vaak een beproeving en geen toonbeeld van rationele analyse. Ze vragen soms een sacrificium intellectus, een offer van het verstand: je moet beslissen terwijl je verstand je geen uitsluitsel geeft.
  • Daarom kun en mag je je niet comfortabel voelen bij morele beslissingen.
  • Het probleem van différance (Derrida): de betekenis van morele begrippen is glibberig.
Différance

Continentale denkers als Derrida, Deleuze, Levinas, Serres en Nancy denken niet in absolute tegenstellingen (mens tegenover dier, natuur tegenover cultuur, taal tegenover werkelijkheid), maar in een verschil met veel meer schakeringen. Ze zijn geïnteresseerd in de ruimte tussen de polen. Derrida bedacht het woord différance: het Franse différer betekent zowel verschillen als uitstellen. Betekenissen zijn dus altijd anders en altijd uitgesteld; ze zijn nooit definitief vast te leggen. Voor ethiek betekent dit dat begrippen als "eerlijk" of "verantwoord" steeds verschuiven.

Voorbeelden van aporetische situaties

  • De gift. Een echte gift is eigenlijk onmogelijk: zodra iets als gift wordt herkend, ontstaat een verplichting tot dank of tegenprestatie, en is het geen zuivere gift meer. Bij bedrijfsgeschenken speelt dit sterk: is een relatiegeschenk vrijgevigheid of omkoping?
  • Kinderarbeid. Een verbod lijkt vanzelfsprekend, maar kan gezinnen in armoede dieper in de problemen brengen. Beide kanten hebben goede argumenten.
  • Regels. Eichmann verdedigde zich door te zeggen dat hij slechts regels volgde. Regels volgen ontslaat je niet van verantwoordelijkheid.
  • De pandemie. Was het beschermen van kwetsbaren te rechtvaardigen gezien de kosten voor de jongere generatie?

Belangrijk: aporieën vragen niet om analyse of oplossing, maar om een beslissing. De voorwaarde om echt te kunnen beslissen is juist dat de situatie onbeslisbaar is. Als een rekensom het antwoord gaf, zou er niets te beslissen zijn. Op dat moment moet een mens de knoop doorhakken.

Het interview: ethische codes en de klokkenluider

In een interview uit 2013 werkt Ten Bos dit verder uit. Bedrijfsethici denken vaak dat ze managers kunnen helpen met een toolkit: feiten verzamelen, dilemma's beschrijven, opties analyseren, een gefundeerde keuze maken. Dat lijkt betrouwbaar, maar volgens Ten Bos staan procedures echt ethisch zelfonderzoek in de weg. Wie alleen op regels let, mist het gevoel voor de specifieke context. Een morele beslissing is een antwoord op een concrete gebeurtenis, op de ander die zich aandient (Levinas).

  • De klokkenluider belichaamt de aporie: hij schendt het gebod van loyaliteit en weet niet zeker of hij goed handelt. Hij verlaat de comfortzone van de regels, wat volgens de socioloog Zygmunt Bauman juist kenmerkend is voor een morele handeling.
  • Onbeslisbaarheid betekent niet verlamming. Je moet blijven nadenken over je beslissingen, ook nadat de knoop is doorgehakt. Volgens Derrida blijven morele beslissingen knagen; als er niets meer knaagt, verdwijnt de moraliteit. Moraliteit heeft daarom ook iets lichamelijks (het knagende geweten voel je in je buik).

Casus uitgewerkt met de drie theorieën

Een kledingbedrijf ontdekt dat een toeleverancier in Bangladesh kinderen van veertien laat werken. Opzeggen van het contract kost 300 banen; de kinderen verliezen hun inkomen.

  • Utilitarisme: vergelijk de totale gevolgen. Opzeggen beschermt de kinderen tegen schadelijk werk en het bedrijf tegen reputatieschade, maar veroorzaakt inkomensverlies voor gezinnen. Misschien levert blijven en de leverancier verplichten om kinderen naar school te sturen met een vergoeding het meeste geluk op.
  • Plichtethiek: kinderen inzetten voor goedkope productie behandelt hen als middel. Ongeacht de uitkomst heeft het bedrijf de plicht daar niet aan mee te werken. Het principe "ik profiteer van kinderarbeid als dat goedkoper is" kun je niet als algemene wet willen.
  • Deugdethiek: wat zou een rechtvaardig en zorgzaam bedrijf doen? Niet weglopen (dat is gemakzucht) maar ook niet wegkijken: verantwoordelijkheid nemen voor de keten.
  • Continentale blik: dit is een aporie. Er zijn even goede argumenten voor beide kanten, en elke beslissing laat iets onopgelost. De beslissing moet genomen worden, maar mag blijven knagen.
Voor het tentamen
  • Ken de drie benaderingen en waar ze bij aansluiten: utilitarisme bij management, plichtethiek bij het recht, deugdethiek bij politiek en management (houding).
  • Bentham: plezier en pijn als soevereine meesters, het geluk van zoveel mogelijk mensen, kwantitatief (felicific calculus), geen intrinsiek goede handelingen, instrumenteel denken, emoties buiten de moraal. Hij bedacht de term deontologie.
  • Mill: hogere en lagere genoegens, ontevreden Socrates, blijft utilitarist, welvaartsverdeling is mensenwerk.
  • Kant: categorische versus hypothetische imperatief, mens als doel en niet alleen middel, autonomie, alsof-denken.
  • Kohlberg (drie niveaus), Simon (begrensde rationaliteit, satisficing), Werhane (morele verbeelding).
  • Continentale kritiek: aporie, sacrificium intellectus, différance, beslissen juist waar het onbeslisbaar is, knagend geweten, toolkits en codes als schijnzekerheid.

Andere hoofdstukken van Bedrijfsethiek

Test jezelf met oefenvragen