9. Functie-eisen en disfuncties van de bureaucratie
Functie-eisen van de moderne organisatie (De Sitter, 1994)
| Functie-eis | Inhoud |
|---|---|
| Efficiencybeheersing | Kostenbeheersing en -reductie: zo efficiënt mogelijk tegen zo laag mogelijke kosten |
| Logistieke beheersing | Doelgerichtheid: nauwkeurige, betrouwbare operaties met zo min mogelijk systeemverliezen |
| Kwaliteitsbeheersing | Kwaliteitszorg geïntegreerd in het proces: fouten voorkomen, niet achteraf herstellen |
| Flexibiliteit | Snel en goedkoop schakelen tussen producten, maatwerk leveren, volumes eenvoudig aanpassen |
| Innovatievermogen | Verbeteren (single loop, binnen normen) en vernieuwen (double loop, normen ter discussie) |
| Kwaliteit van de arbeid | Bepaald door regelcapaciteit op de werkplek: ruimte voor betrokkenheid en gemotiveerde verantwoordelijkheid |
| Kwaliteit van de arbeidsrelaties | Goede wederzijdse afstemming en samenwerking, nodig om de andere eisen te realiseren |
Disfuncties van de lijnstructuur
Een hoge bezettingsgraad en herhalingseffecten maken de lijn efficiënt, maar er ontstaan systeemverliezen:
- Balansverlies: bewerkingstijden sluiten niet op elkaar aan.
- Stochastisch verlies: mensen werken niet constant, dus buffers zijn nodig.
- Hanteerverlies: transport en positioneren kosten relatief veel tijd.
- Storingsverlies: storingen werken door in de hele lijn.
- Herstel- en justeerverlies: extra controles en correcties.
- Verzuimverlies: hoge ziekte-uitval door routinematig werk.
Hoe meer stations en specialisatie, hoe minder regelmogelijkheden per station en hoe groter de storingsgevoeligheid. Verder: logistiek leiden veel stations tot korte cyclustijden en hoge eisen aan timing en aanvoer, zodat kleine verstoringen grote gevolgen hebben. Kwaliteit zit in instructies en controles in plaats van samenwerking, met veel controleposten en weinig wederzijdse afstemming. Flexibiliteit: de lijn is star; volume aanpassen kan alleen via overwerk of voorraad. Innovatie: nieuwe producten vragen herontwerp van de hele lijn. KvdA: kortcyclisch routinewerk zonder regelcapaciteit leidt tot vervreemding, verzuim en verloop. Arbeidsrelaties: mensen zijn afhankelijk maar geïsoleerd, met nauwelijks zelfregulering.
Disfuncties van de functionele structuur
| Functie-eis | Disfunctie |
|---|---|
| Efficiency | Hoge bezettingsgraad per afdeling, maar toenemende complexiteit bij groei van informatie en projecten |
| Logistiek | Veel koppelingen, veel onderhanden werk, lange en onbetrouwbare doorlooptijden, gebrekkige afstemming |
| Kwaliteit | Kwaliteitsproblemen overlappen met afstemmingsproblemen; fouten in complexe producten moeilijk op te sporen |
| Flexibiliteit | Veel routings mogelijk, maar duur; lange doorlooptijden maken reageren traag |
| Innovatie | Afdelingen denken vanuit eigen specialisme; procesinnovatie moeilijk |
| KvdA | Vakspecialisten zonder overzicht; meer vervreemding |
| Arbeidsrelaties | Afdelingen werken parallel, weinig samenwerking: hokjesgeest |
Klassieke staf-lijnstructuur en informatieverwerking
Voorbereidende en ondersteunende activiteiten zijn aspectmatig verdeeld. Veel afstemming leidt tot wachttijden en een complexe, onbetrouwbare planning. Problemen worden naar hogere niveaus doorgeschoven, omdat er op het eerste niveau geen regelvermogen is. De informatieverwerking schiet op elke stap van de regelkring tekort:
- Sensorisch vermogen (waarnemen): informatie is onbetrouwbaar of niet actueel door de scheiding van regelen en uitvoeren.
- Informatietransformerend vermogen (beoordelen): overload aan informatie, moeilijk integraal te verwerken.
- Selecterend vermogen (actieselectie): slechte informatie leidt tot verkeerde beslissingen.
- Effectuerend vermogen (ingrijpen): geprogrammeerde acties passen niet, volledige controle is onmogelijk, er is een kloof tussen planning en werkelijkheid.
Ook het innovatief vermogen is beperkt: informatie is gefilterd en formeel, en de "denkers" staan ver van het uitvoerende proces.
Matrixorganisatie
De matrix combineert een functionele structuur met een projectstructuur, met duale aansturing door een projectleider en een functionele baas. Er bestaat een lichte en een zware matrix. Disfuncties: een complex netwerk van afhankelijkheden, een stroperige organisatie bij hoge dynamiek, flexotisch (chaos vermomd als flexibiliteit), spanningen tussen project- en functieleiders, diffuse samenwerking en vervreemding bij kenniswerkers.
Bureaucratie en chaos
- Vuilnisbakmodel (garbage-can-model): perfecte rationaliteit bestaat niet. Problemen, oplossingen en beslissers komen willekeurig samen. Kenmerken zijn unclear technology (niemand heeft volledig overzicht) en fluid participation (wisselende betrokkenheid).
- Law of requisite variety (Ashby): een organisatie moet net zoveel variatie hebben als haar omgeving.
Twee opties
De eerste is de vicieuze cirkel van de bureaucratie: meer regels leiden tot meer fouten, wat leidt tot nog meer regels. Dat is positieve terugkoppeling, die uitmondt in een pseudonetwerk. De tweede optie is het alternatief: ontwerp een simpele organisatie met complexe taken. De complexiteit zit dan in het werk, niet in de structuur, zodat de organisatie beter met dynamiek kan omgaan.
Andere hoofdstukken van Organisatieontwerp
- 1. Organiseren, structuur en ontwerpen
- 2. Vernieuwen van organisaties: 7 O's, 8 C's en sociotechniek
- 3. De integrale ontwerpbenadering
- 4. Systeemtheorie
- 5. De organisatie als interactienetwerk
- 6. Structuur, kwaliteit van de arbeid en motivatie
- 7. Vier organisatieregimes
- 8. Het bureaucratisch regime: Taylor, Weber en structuren
- 10. Flexibel (her)ontwerpen en de integrale ontwerpketen