6. Structuur, kwaliteit van de arbeid en motivatie
Dit hoofdstuk gaat over de vraag hoe de structuur van werk de motivatie en verantwoordelijkheid van mensen beïnvloedt. De kern: motivatie komt niet alleen uit mensen zelf, maar wordt sterk bepaald door hoe het werk is georganiseerd.
Gemotiveerde verantwoordelijkheid (Sprenger)
Volgens Sprenger berust gemotiveerde verantwoordelijkheid op drie mentale pijlers:
- Kiezen: het gevoel zelf keuzes te maken, niet gedwongen door regels, anderen of omstandigheden.
- Willen: motivatie van binnenuit, niet omdat iemand wordt beloond, geprikkeld of onder druk gezet.
- Meedoen: mogen bijdragen aan beleid en visie; jezelf zien als deelnemer aan het geheel, niet als uitvoerder van opgelegde beslissingen.
Ontbreken deze pijlers, dan ontstaat ongemotiveerde verantwoordelijkheid: vervreemding, onverschilligheid, cynisme en machteloosheid. Mensen zien het nut van hun werk niet meer.
Taakeigenschappen: moeten en mogen
Bij een taak kijk je naar de vereisten (wat moet iemand) en naar de regelcapaciteit (wat mag iemand). Regelcapaciteit hangt samen met autonomie, betrokkenheid, leermogelijkheden en beheersing van stress.
Regelcapaciteit, knooppunten en buffers
Iedere werkplek is een knooppunt in een netwerk waar eisen uit verschillende relaties samenkomen. Om die te hanteren is regelcapaciteit nodig. Komen tegenstrijdige eisen samen zonder voldoende regelcapaciteit, dan is er sprake van onverenigbaarheid: elke keuze leidt tot problemen. De kans op storingen en hun ernst wordt sterk bepaald door de netwerkstructuur. Bij maximale arbeidsdeling is het werk sterk geprogrammeerd via regels en procedures; ontbreekt regelcapaciteit, dan lost men dat op met buffers (tijd, voorraad, klanten). Dat maakt organisaties traag, log en inflexibel.
Verandering, leren en stress
Bij stationaire verandering zijn alle situaties bekend en routinematig; dat vraagt single loop learning. Bij niet-stationaire verandering ontstaan nieuwe, onbekende situaties; routines moeten ter discussie worden gesteld en double loop learning en non-routinematige regelcapaciteit zijn nodig.
Stress ontstaat niet door problemen op zich, maar door het ontbreken van mogelijkheden om die problemen zelf op te lossen. Hoge taakeisen zijn alleen gezond als er ook hoge regelcapaciteit is.
De acht structuurparameters van De Sitter
De parameters beschrijven hoe sterk werk is gesplitst. Elke parameter is een schaal van weinig tot veel scheiding of splitsing. Hoe sterker gesplitst, hoe minder regelcapaciteit en hoe lager de kwaliteit van arbeid.
| # | Deel | Parameter | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| 1 | Productie | Functionele concentratie | Alle koks apart van de bediening |
| 2 | Productie | Scheiding van voorbereidende, uitvoerende en ondersteunende activiteiten | Planners plannen, uitvoerders voeren alleen uit |
| 3 | Productie | Splitsing in deeltaken | Eén medewerker draait steeds dezelfde schroef |
| 4 | Besturing | Scheiding van regelende en uitvoerende taken | Leidinggevende bepaalt hoe het werk moet |
| 5 | Besturing | Splitsing van regelen over procesdelen | Regelwerk verdeeld over meerdere personen of afdelingen |
| 6 | Besturing | Splitsing van regelen naar aspecten | Aparte regeling voor kwaliteit, kosten, personeel |
| 7 | Besturing | Splitsing van regelen naar niveaus | Operationeel regelen, inrichtingsregelen en strategisch regelen gescheiden; medewerker mag alleen dagelijkse taken |
| 8 | Besturing | Splitsing naar stappen in de regelkring | Medewerkers signaleren problemen maar mogen ze niet oplossen |
In de collegeaantekeningen wordt parameter 4 (het splitsen van uitvoeren en regelen) gezien als het scharnier tussen productie- en besturingsstructuur. Er zijn drie regelniveaus: operationeel regelen (dagelijkse problemen), inrichtingsregelen (ontwerp en innovatie) en strategisch regelen (doelen en koers). Voor goede kwaliteit van arbeid is volwaardige interne én externe regelcapaciteit nodig; dan wordt werk zinvol, sociaal en leerzaam.
Twee benaderingen van kwaliteit van arbeid
| Belevingsbenadering | Ontwikkelingsbenadering | |
|---|---|---|
| Uitgangspunt | Aangeboren motieven en behoeften | Motieven worden ontwikkeld of geblokkeerd door de werkstructuur, en ontstaan in sociale netwerken |
| Goed werk als... | Het aansluit bij die motieven | Het regelcapaciteit biedt |
| Maatstaf | Arbeidstevredenheid | Regelcapaciteit |
Klassieke trait-theorieën gaan uit van aangeboren motieven: Maslow (behoeftehiërarchie van fysiologische behoeften tot zelfontplooiing), McGregor (theorie X: mensen zijn lui en moeten gecontroleerd worden; theorie Y: mensen willen verantwoordelijkheid), Herzberg (intrinsieke motivatoren en extrinsieke hygiënefactoren) en McClelland (behoefte aan prestatie, macht en affiliatie). Kritiek: motieven zijn moeilijk meetbaar, wisselen per situatie en de theorieën zijn te deterministisch.
Arbeidssatisfactie is een zwakke indicator: mensen passen zich aan slechte omstandigheden aan, het biedt weinig houvast voor ontwerp en kan leiden tot manipulatieve keuzes waarbij behoeften worden opgewekt maar niet bevredigd.
Sociale vergelijkingstheorie
Mensen vergelijken zich automatisch met anderen in hun groep, op punten die in die groep belangrijk zijn (prestaties, inzet, status), en vooral met mensen die ongeveer evenveel kunnen. Zo vormen ze een zelfbeeld. Vergelijken is doelgericht: je wilt er net iets beter uitkomen. Wat telt, bepalen de groepsnormen: niet aangeboren motieven maar netwerknormen sturen gedrag. Tactieken om gunstig uit de vergelijking te komen:
- Gedragsverandering: meer inspanning bij een slechte vergelijking.
- Sociale toeschrijving: "ik kan het wel, maar het zat tegen".
- Selectie van vergelijkingspersonen: "niet de beste, maar ook niet de slechtste".
- Selectie van vergelijkingsdimensies: "mijn studie ging matig, maar sport ging goed".
Een netwerk met minimale arbeidsverdeling biedt ruimte voor intrinsieke motivatie en regelcapaciteit. Bij maximale arbeidsverdeling ontbreekt regelcapaciteit en verschuift motivatie naar extrinsiek, wat intrinsieke motivatie kan onderdrukken.
Extrinsieke motivatie (Sprenger) en procestheorieën
| Strategie | Werking en risico |
|---|---|
| Dwang | Druk; minimale inzet en negatieve gevoelens |
| Verlokken | Beloningen (bonussen, promoties); verschuift intrinsiek naar extrinsiek |
| Verleiden | Identificatie met organisatie of leider; kan leiden tot fan-cultuur |
| Visie | Gedroomde toekomst; kan afhankelijkheid van de leider creëren |
- Cognitieve evaluatietheorie: prestatiebeloning kan intrinsieke motivatie verminderen door verlies van autonomie en focus op geld.
- Billijkheidstheorie: vergelijking van inputs en gepercipieerde uitkomsten; ervaren onrechtvaardigheid verlaagt motivatie.
- Verwachtingstheorie: drie relaties: inspanning-prestatie, prestatie-beloning, beloning-persoonlijke doelen.
- Goal-setting en feedbacktheorie: duidelijke doelen, haalbare moeilijkheid en kwalitatieve feedback verbeteren prestaties.
Regelcapaciteit is een cruciale voorwaarde voor gemotiveerde verantwoordelijkheid. Organisaties moeten niet worden aangepast aan vermeende vaste motieven, maar zo worden ontworpen dat ze de gewenste menselijke vermogens mobiliseren.
Andere hoofdstukken van Organisatieontwerp
- 1. Organiseren, structuur en ontwerpen
- 2. Vernieuwen van organisaties: 7 O's, 8 C's en sociotechniek
- 3. De integrale ontwerpbenadering
- 4. Systeemtheorie
- 5. De organisatie als interactienetwerk
- 7. Vier organisatieregimes
- 8. Het bureaucratisch regime: Taylor, Weber en structuren
- 9. Functie-eisen en disfuncties van de bureaucratie
- 10. Flexibel (her)ontwerpen en de integrale ontwerpketen