Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 5: Markten, organisaties en informatie

Met dit college begint het tweede deel van het vak, dat 70% van het tentamen bepaalt en uit open vragen bestaat. De centrale vraag van dat deel is: waarom zijn transacties georganiseerd zoals ze georganiseerd zijn, op markten of binnen bedrijven, en hoe kan een organisatie zo efficiënt mogelijk worden bestuurd? Dit college legt het vertrekpunt: de neoklassieke kijk op markten en bedrijven, de winstparadox, en vooral de rol van informatie. Zodra informatie asymmetrisch is, ontstaat ruimte voor opportunistisch gedrag: averechtse selectie vóór een transactie en moral hazard erna. Die twee begrippen komen in vrijwel elke open tentamenvraag terug.

De economische "brillen" van deel 2

Het tweede deel bekijkt organisaties door verschillende economische brillen, die elk een andere aanname loslaten of toevoegen:

PerspectiefKernvraagCollege
Neoklassieke economieHoe werken perfecte markten en perfecte bedrijven?HC 5
Speltheorie (instrument)Wat is rationeel als de uitkomst ook van anderen afhangt?HC 6
TransactiekosteneconomieWaarom bestaan bedrijven en hoe groot worden ze?HC 7
Agency theoryHoe voorkom je opportunisme binnen contractrelaties?HC 8
Behavioral Theory of the FirmHoe nemen begrensd rationele organisaties beslissingen?HC 9
Competitive en corporate strategyHoe concurreren bedrijven en welke onderdelen horen bij elkaar?HC 10 en 11
Hybride vormen en evolutionaire economieWat zit tussen markt en hiërarchie, en hoe veranderen populaties van bedrijven?HC 12

Arbeidsdeling, specialisatie en coördinatie

Adam Smith zag al in 1776 dat de grootste vooruitgang in de productiviteit voortkomt uit arbeidsdeling. Arbeidsdeling betekent dat mensen niet meer zelfvoorzienend zijn, maar hun goederen en diensten op de markt aanbieden. Wie zich met een beperkt takenpakket bezighoudt, wordt daar beter in. Maar dan moeten er ontelbaar veel ruilingen plaatsvinden; zo'n ruil heet een transactie. De vraag is: hoe worden al die transacties gecoördineerd?

Er zijn twee extremen: de markt en de organisatie (hiërarchie). In het boek van Douma en Schreuder heten zulke manieren van organiseren governance structures. Daartussen bestaan veel hybride vormen (HC 12). Elke governance structure heeft voor- en nadelen, die afhangen van de context, de omgeving en de instituties. Voorbeelden uit het college:

  • Apple besteedt bijna alle productie uit, Samsung maakt bijna alles zelf (en verdient soms meer aan een iPhone dan aan een eigen Galaxy, omdat het onderdelen levert).
  • Subway werkt met franchise, Starbucks houdt de meeste vestigingen in eigen beheer.
  • Booking, Spotify en Netflix zijn alle drie platforms, met een ander verdienmodel.

De neoklassieke markt en het neoklassieke bedrijf

De neoklassieke economie gaat uit van perfecte concurrentie: veel vragers en aanbieders, homogene goederen, vrije toe- en uittreding en gratis, perfecte informatie. Het gevolg is dat iedereen prijsnemer is. Daarnaast zijn consumenten rationeel en nutsmaximaliserend, bedrijven rationeel en winstmaximaliserend, en functioneren markten in isolatie.

Bij ideale markten horen ideale bedrijven. Het neoklassieke bedrijf ("theory of the firm") is:

  • homogeen, een black box: wat erbinnen gebeurt, doet er niet toe;
  • geleid door één rationele actor (de manager) die alle beslissingen neemt;
  • gericht op één doel: winstmaximalisatie;
  • een schakel tussen markten: het koopt inputs, transformeert die en verkoopt outputs.

Het gevolg: bedrijven kiezen altijd de investering met het hoogste verwachte rendement, en als ze winstgevender kunnen worden door hun strategie te veranderen, doen ze dat meteen. Op markten bepalen prijzen de uitkomst van de coördinatie, binnen bedrijven doen managers dat. Waarom er dan überhaupt bedrijven en managers nodig zijn, beantwoordt deze theorie niet; dat doet de transactiekosteneconomie (HC 7).

De winstparadox

Elk neoklassiek bedrijf wil zoveel mogelijk winst maken. Maar op een perfecte markt zijn alle actoren prijsnemers. Maken bedrijven winst, dan treden nieuwe bedrijven toe (er zijn geen toetredingsdrempels), het aanbod van het homogene goed stijgt en de prijs daalt, tot ze gelijk is aan de marginale kosten. Op termijn kan dus geen enkel bedrijf economische winst maken, terwijl dat wel het enige doel is: de paradox of profits.

In de echte wereld maken bedrijven wel degelijk grote winsten, omdat de aannames niet gelden: goederen zijn niet homogeen (een iPhone is geen Galaxy), de overheid kan toetreding beperken (een monopolie op het spoor), toetreden kan enorme investeringen vragen, er zijn niet altijd veel vragers en aanbieders, en informatie is niet altijd gratis, perfect en symmetrisch.

Coördinatie draait om informatie

Bijna alle productie vraagt coördinatie tussen verschillende actoren, en coördinatie werkt via informatie. Op perfecte markten is alle informatie verwerkt in de prijs; in perfecte bedrijven nemen managers besluiten op basis van perfecte informatie. Bij een perfecte markt horen ook:

  • homogene goederen, zodat de prijs alles zegt;
  • complete contracten, waarin alle mogelijke toekomstige ontwikkelingen en alle informatie over de transactie zijn vastgelegd;
  • symmetrische informatie: alle partijen weten precies hetzelfde.

Is informatie niet vrij toegankelijk, compleet en symmetrisch, dan spreken we van asymmetrische of imperfecte informatie. Dat leidt tot marktfalen: de optimale welvaart wordt niet bereikt.

Asymmetrische informatie

Informatie is asymmetrisch als een koper of verkoper meer of betere informatie heeft dan de andere partij. Dat komt vooral voor bij heterogene goederen en diensten en als eigenschappen moeilijk of duur te achterhalen zijn. Voorbeelden: de kwaliteit van sollicitanten, tweedehands auto's, ingewikkelde financiële producten (zoals CFD's), deelnemers aan datingapps, verzekeringen, en ook dit vak (de docent weet niet precies hoeveel je hebt geleerd).

Informatie als economisch goed

Informatie verschilt van gewone goederen. Ze is niet rivaliserend (als ik iets weet, kun jij het ook weten zonder dat ik minder weet), al kan ze soms wel uitsluitbaar worden gemaakt. Informatie heeft hoge productiekosten maar marginale kosten van bijna nul: een softwarepakket of een database maken is duur, een extra kopie kost niets. Daardoor geldt vaak winner takes (almost) all: wie de grootste wordt, kan de vaste kosten over de meeste gebruikers spreiden.

Opportunistisch gedrag

Informatieproblemen maken opportunistisch gedrag mogelijk: het nastreven van eigenbelang zonder rekening te houden met mogelijke negatieve gevolgen voor anderen, zo nodig met list en bedrog. Actoren zullen asymmetrische informatie proberen uit te buiten, op twee momenten:

Averechtse selectie (adverse selection)Moral hazard
Ook genoemdhidden informationhidden action
Momentex ante: vóór de transactieex post: na de transactie
Wat is verborgen?eigenschappen, kwaliteit of risico van een partijhet gedrag van een partij nadat het contract is gesloten
Typisch voorbeeldalleen mensen die verwachten zorg nodig te hebben nemen een aanvullende verzekeringwie verzekerd is, gaat vaker naar de tandarts of is minder voorzichtig

Averechtse selectie

Bij averechtse selectie is de kwaliteit of het risico van een partij niet waarneembaar voor de andere partij, en treedt zelfselectie op: juist de "verkeerde" partijen melden zich. Voorbeelden:

  • De lemon-markt (Akerlof): op de tweedehands automarkt weet de verkoper of zijn auto een "lemon" (slechte auto) is, de koper niet. Kopers bieden daarom een gemiddelde prijs. Eigenaren van goede auto's vinden die prijs te laag en trekken zich terug; de gemiddelde kwaliteit daalt, de prijs daalt verder, en in het extreme geval blijven alleen lemons over.
  • Zorgverzekeringen: vooral mensen met een hoog risico nemen een (aanvullende) verzekering. Het gemiddelde risico van de verzekerden stijgt, de premie stijgt, nog meer gezonde mensen haken af. Een aanvullende verzekering wordt zo meer een abonnement dan een verzekering.
  • Ontslagen werknemers: een werkgever die moet bezuinigen, laat eerst de minst productieve mensen gaan; een nieuwe werkgever weet dat.
  • Selectie kan ook in je voordeel werken als je haar herkent. In de Tweede Wereldoorlog wilde men bommenwerpers verstevigen op de plekken waar teruggekeerde toestellen kogelgaten hadden. Het inzicht was dat juist de plekken zonder gaten kwetsbaar waren: toestellen die dáár werden geraakt, kwamen niet terug.
Rekenvoorbeeld: een lemon-markt

De helft van de tweedehands auto's is goed (waarde €10.000), de helft is een lemon (waarde €4.000). Een koper die de kwaliteit niet kan zien, is bereid de verwachte waarde te betalen: 0,5 × 10.000 + 0,5 × 4.000 = €7.000. Een eigenaar van een goede auto wil daar niet voor verkopen. Als de goede auto's verdwijnen, weet de koper dat hij een lemon krijgt en biedt hij nog maar €4.000. De markt voor goede tweedehands auto's verdwijnt, terwijl er wel kopers en verkopers waren die hadden willen handelen.

Oplossingen voor averechtse selectie:

  • Kwaliteit of risico observeren (screening): de minder geïnformeerde partij zoekt zelf informatie, bijvoorbeeld via een sollicitatieprocedure, een medische keuring of een onafhankelijke inspectie (zoals een APK of aankoopkeuring).
  • Kwaliteit of risico zichtbaar maken (signaling): de beter geïnformeerde partij geeft een geloofwaardig signaal, zoals een merk met een reputatie, een opleiding of diploma, of reviews.
  • Risico-pooling: collectieve verzekeringen (zoals de verplichte basisverzekering) voorkomen dat alleen de slechte risico's zich verzekeren.
  • Risico-herverdeling: garanties leggen het risico bij de verkoper.
  • Risico-segmentatie: premies differentiëren naar kenmerken, zoals postcode of leeftijd.

Moral hazard

Bij moral hazard gaan actoren zich anders gedragen nadat het contract is gesloten, omdat de andere partij hun gedrag niet kan waarnemen. Voorbeelden uit het college: verzekerden die minder voorzichtig zijn, het all-you-can-eat buffet (je eet meer omdat het niets extra kost), bonussen die tot risicovol gedrag leiden, shirking (lijntrekken door werknemers of studenten), en klimaatactie (landen die afspraken maken maar zich er daarna niet aan houden).

Oplossingen voor moral hazard:

  • Informatie over gedrag verzamelen: collectief informatie delen en monitoren.
  • Prikkels voor gedrag: bonussen die goed gedrag belonen, een eigen risico en een no-claimkorting (wie zelf meebetaalt, blijft voorzichtig).
Voorbeeld uit de werkgroep: werknemers als aandeelhouders

Het bedrijf OmegaTech wil werknemers een deel van hun salaris in aandelen laten ontvangen, tegen korting, zodat ze harder werken voor de winst.

  • Averechtse selectie: de "verkeerde" werknemers doen mee. Waarschijnlijk zijn dat de best verdienende werknemers, die het ingehouden salaris het minst missen. Dat zijn ook de mensen met de meeste invloed op strategische beslissingen.
  • Moral hazard: deelnemers profiteren van stijgende winsten, maar het ingehouden salaris is voor hen al een sunk cost. Ze kunnen daardoor geneigd zijn meer risico te nemen dan goed is voor het bedrijf.
Voor het tentamen
  • De open vragen hebben een vaste vorm: leg uit, pas toe, leg uit. Geef eerst de definitie, pas die dan concreet toe op de casus en sluit af met het gevolg.
  • Averechtse selectie = ex ante, verborgen informatie, zelfselectie. Moral hazard = ex post, verborgen gedrag. Noem altijd welke informatie asymmetrisch is en wie daar misbruik van maakt.
  • Ken de oplossingen: screening en signaling (en pooling, garanties, segmentatie) tegen averechtse selectie; monitoring en prikkels (eigen risico, bonus, no-claim) tegen moral hazard.
  • Kun je de winstparadox uitleggen én zeggen welke aannames in de echte wereld niet gelden?

Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde

Test jezelf met oefenvragen