HC 2: Specialisatie, handel en markten
Waarom zijn sommige landen rijk en andere arm, en waarom handelen landen met elkaar? Het tweede college laat zien dat specialisatie en handel de gemiddelde productiviteit verhogen, en dus de welvaart. De sleutel is het begrip comparatief voordeel: zelfs een land dat alles beter kan, wint bij handel als iedereen zich toelegt op datgene waarin hij relatief het goedkoopst is. Daarna begint het college aan markten: wat zijn de aannames van een perfect concurrerende markt, en wat betekenen vraag en aanbod? Rekenvragen over ruilvoeten en comparatieve voordelen zijn vaste prik op het tentamen.
- Bbp (bruto binnenlands product, GDP). De optelsom van alle productie (en dus alle inkomens) in een land in een bepaalde periode.
- Per capita. Per inwoner. Economische groei wordt gemeten als groei van het bbp per hoofd.
- Autarkie. Een situatie zonder handel: een land consumeert alleen wat het zelf maakt.
- Ruilvoet (terms of trade). De relatieve prijs waartegen twee partijen goederen ruilen, bijvoorbeeld 1 auto = 3 fietsen.
Groei meten met het bbp
De omvang van een economie wordt gemeten met het bbp. Productie (aanbod) leidt tot inkomen en inkomen leidt weer tot vraag; die gedachte staat bekend als de wet van Say. Economische groei is groei van het bbp per hoofd van de bevolking, en die komt voort uit productiviteitsgroei. Productiviteitsgroei heeft twee bronnen:
- activiteiten zelf worden productiever (betere technologie, kennis);
- de gemiddelde productiviteit stijgt doordat activiteiten anders worden verdeeld (herallocatie): mensen, bedrijven en landen gaan doen waar ze relatief goed in zijn.
Het bbp is verre van een perfecte maatstaf. Een voorbeeld uit het college: vroeger huurde je voor €7,50 één dvd voor een dag, nu betaal je €10 per maand voor een streamingdienst met duizenden films. De gemeten uitgaven dalen, terwijl de welvaart duidelijk is gestegen. Toch blijft het bbp de meest gebruikte maatstaf.
Specialisatie en handel
In een markteconomie is niemand zelfvoorzienend; volledig zelfvoorzienend zijn is eerder een teken van armoede. De productiviteit stijgt als mensen, bedrijven, steden en landen zich specialiseren in datgene waarin ze relatief goed zijn, dat wil zeggen waarin ze de laagste opportunity costs hebben. Iedereen produceert dan van het ene goed meer en van het andere minder dan hij zelf nodig heeft. Dat kan alleen als het overschot op markten kan worden verkocht. De keten is:
"Handel" moet je breed opvatten: het gaat om elke ruil, ook tussen personen of tussen afdelingen.
Absoluut voordeel
Een land heeft een absoluut voordeel in een product als het daar met dezelfde middelen meer van kan maken dan een ander land.
| Productie per uur | Fietsen | Auto's |
|---|---|---|
| Duitsland | 2 | 8 |
| Frankrijk | 6 | 2 |
Beide landen hebben 100 uur. Duitsland heeft een absoluut voordeel in auto's, Frankrijk in fietsen. Interne opportunity costs: in Duitsland kost 1 auto 2/8 = 1/4 fiets, in Frankrijk kost 1 auto 6/2 = 3 fietsen.
Zonder handel verdelen ze hun uren bijvoorbeeld half om half: Duitsland maakt 100 fietsen en 400 auto's, Frankrijk 300 fietsen en 100 auto's. Met specialisatie maakt Duitsland 800 auto's en Frankrijk 600 fietsen. Tegen een ruilvoet van 1 auto = 3/4 fiets ruilen ze 400 auto's tegen 300 fietsen. Beide landen consumeren dan 400 auto's en 300 fietsen, meer van beide dan zonder handel.
Comparatief voordeel
Het krachtige inzicht is dat handel ook voordelig is als één land in alles beter is. Wat telt is het comparatieve voordeel: het goed dat je relatief goedkoop kunt maken, uitgedrukt in de hoeveelheid van het andere goed die je ervoor opgeeft (opportunity costs).
| Uren arbeid per stuk | Auto | Fiets |
|---|---|---|
| Duitsland | 8 | 2 |
| Frankrijk | 10 | 5 |
Duitsland is in beide producten sneller, dus heeft een absoluut voordeel in allebei. Kijk nu naar de opportunity costs:
| Opportunity costs van 1 | Auto | Fiets |
|---|---|---|
| Duitsland | 8/2 = 4 fietsen | 2/8 = 1/4 auto |
| Frankrijk | 10/5 = 2 fietsen | 5/10 = 1/2 auto |
Een fiets kost Duitsland 1/4 auto en Frankrijk 1/2 auto: Duitsland heeft het comparatieve voordeel in fietsen. Een auto kost Frankrijk 2 fietsen en Duitsland 4: Frankrijk heeft het comparatieve voordeel in auto's.
Elk land heeft 1000 uur. Duitsland maakt alleen fietsen (1000/2 = 500), Frankrijk alleen auto's (1000/10 = 100). Een ruilvoet tussen 2 en 4 fietsen per auto is voor beide gunstig, bijvoorbeeld 1 auto = 3 fietsen. Ze ruilen 50 auto's tegen 150 fietsen:
| Productie | Handel | Consumptie | |
|---|---|---|---|
| Duitsland | 500 fietsen | 150 fietsen weg, 50 auto's erbij | 350 fietsen + 50 auto's |
| Frankrijk | 100 auto's | 50 auto's weg, 150 fietsen erbij | 150 fietsen + 50 auto's |
Vergelijk met autarkie. Wil Duitsland zelf 50 auto's maken, dan kost dat 400 uur; met de overige 600 uur maakt het 300 fietsen. Met handel heeft het 350 fietsen: 50 meer. Frankrijk zou voor 50 auto's 500 uur nodig hebben en met de rest 100 fietsen maken; met handel heeft het er 150. Beide landen winnen.
De ruilvoet: welke prijs maakt handel voor beide voordelig?
Beide partijen moeten een prijs vinden waartegen ruilen voordeliger is dan zelf maken. Dat is een prijs die tussen de interne opportunity costs van beide partijen ligt. Ligt de ruilvoet daarbuiten, dan wil een van beide liever zelf produceren.
Jij maakt 2 opdrachten per dag of 1 paper per 4 dagen; je klasgenoot 1 opdracht per dag of 1 paper per 6 dagen. Jouw opportunity costs: 1 paper = 8 opdrachten (1 opdracht = 1/8 paper). Je klasgenoot: 1 paper = 6 opdrachten (1 opdracht = 1/6 paper). Jij hebt het comparatieve voordeel in opdrachten, je klasgenoot in papers. Een acceptabele ruilvoet ligt tussen 6 en 8 opdrachten per paper, bijvoorbeeld 7. Jij "koopt" dan een paper voor 7 in plaats van 8 opdrachten en je klasgenoot koopt een opdracht voor 1/7 in plaats van 1/6 paper.
Nederland kan 1000 kg kaas óf 500 liter bier maken (of combinaties op een rechte lijn), België 500 kg kaas óf 500 liter bier. Nederland heeft een absoluut voordeel in kaas, in bier heeft niemand een absoluut voordeel. Opportunity costs: in Nederland is 1 liter bier = 2 kg kaas, in België 1 liter bier = 1 kg kaas. Nederland heeft het comparatieve voordeel in kaas, België in bier. Een ruilvoet van 1 liter bier = 1,5 kg kaas ligt ertussen en is voor beide gunstig. Bijvoorbeeld: Nederland maakt 1000 kg kaas, België 500 liter bier, en ze ruilen 250 liter bier tegen 375 kg kaas. Nederland consumeert 625 kg kaas en 250 liter bier, België 375 kg kaas en 250 liter bier: beide liggen buiten hun eigen productiemogelijkhedencurve.
De productiemogelijkhedencurve (production possibility frontier, PPF) laat alle combinaties zien die een land met zijn middelen kan maken. De helling is de opportunity cost. Zonder handel kan een land alleen op of binnen die lijn consumeren; met specialisatie en handel kan het daarbuiten consumeren.
Vrijhandel: winnaars en verliezers
Omdat specialisatie de gemiddelde productiviteit verhoogt en markten dat via (anonieme) transacties mogelijk maken, pleiten economen vaak voor vrijhandel. Maar handel leidt tot specialisatie, en dus zijn er sectoren en mensen die winnen en die verliezen:
- Winnaars: iedereen die betrokken is bij sectoren waarin het land een comparatief voordeel heeft, en alle consumenten via lagere prijzen.
- Verliezers: iedereen die betrokken is bij sectoren waarin het land géén comparatief voordeel heeft. In rijke landen zijn dat vaak laaggeschoolde werknemers in industrie die naar het buitenland verhuist.
Op het geheel genomen stijgt de welvaart, maar de winst en het verlies vallen bij verschillende groepen. Dat verklaart waarom vrijhandel politiek omstreden is.
Markten: wie koopt en wie verkoopt?
Handel wordt mogelijk gemaakt door markten. Op markten bepalen vraag en aanbod, via prijzen, wat en hoeveel er wordt geproduceerd, hoe dat gebeurt en wie de productie krijgt.
- Vragers kopen alleen als de prijs lager dan of gelijk aan de waarde (het nut) is die ze aan het goed ontlenen.
- Aanbieders verkopen alleen als de prijs hoger dan of gelijk aan hun marginale kosten van productie is (inclusief een normale winst).
De aannames van een perfect concurrerende markt
- Niemand kan de prijs beïnvloeden (iedereen is price taker). Dat vraagt: veel kopers en verkopers, vrije toe- en uittreding en homogene goederen.
- Iedereen handelt rationeel en optimaliserend: iedere koper en verkoper heeft perfecte informatie en handelt alleen als dat in zijn voordeel is.
- Markten functioneren in isolatie: er zijn geen externe effecten.
De kritiek ligt voor de hand: wat als deze aannames (gedeeltelijk) niet kloppen? Het tweede deel van het vak gaat daar grotendeels over. Al in dit college komen een paar gedragsvoorbeelden langs:
- Cognitive biases: mensen fietsen een eind om een paar euro korting te krijgen op een goedkoop product, maar niet voor hetzelfde bedrag op een duur product. Rationeel gezien is een euro een euro.
- Conspicuous consumption: mensen ontlenen waarde aan het laten zien dat ze iets kunnen betalen (luxemerken), niet alleen aan het product zelf.
- Positional externalities: als het nut van een goed afhangt van je positie ten opzichte van anderen, verlaagt iemand anders z'n aankoop jouw nut. Dat leidt tot een wapenwedloop in consumptie.
Een eerste blik op de vraag
We kijken naar de totale vraag op één markt voor één homogeen goed. De vraag is de optelsom van de willingness to pay (betalingsbereidheid) van alle kopers. De betalingsbereidheid van één koper is diens verwachte marginale opbrengst van het goed. Omdat mensen de duurste eenheden alleen kopen als ze het goed sterk waarderen, is er een negatief verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid. Dit wordt in HC 3 verder uitgewerkt.
- Reken opportunity costs per stuk uit: bij "productie per uur" deel je de productie van het andere goed door die van het goed zelf; bij "uren per stuk" deel je de uren van het goed zelf door de uren van het andere goed.
- Absoluut voordeel = meer maken met dezelfde middelen. Comparatief voordeel = laagste opportunity costs. Een land kan in beide goederen een absoluut voordeel hebben, maar nooit in beide een comparatief voordeel.
- Een ruilvoet is voor beide gunstig als ze tussen de twee interne opportunity costs ligt. Controleer altijd beide kanten.
- Vrijhandel verhoogt de totale welvaart, maar er zijn winnaars en verliezers; noem welke.
- Ken de aannames van perfecte concurrentie: ze komen in deel 2 steeds terug als vertrekpunt dat wordt bekritiseerd.
Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde
- HC 1: Inleiding, keuzes en opportunity costs
- HC 3: Vraag, aanbod, welvaart en overheidsingrijpen
- HC 4: Marktfalen en de wereldeconomie
- HC 5: Markten, organisaties en informatie
- HC 6: Speltheorie
- HC 7: Transactiekosteneconomie
- HC 8: Agency theory en corporate governance
- HC 9: Behavioral Theory of the Firm
- HC 10: Competitive en corporate strategy
- HC 11: Fusies, overnames en FDI
- HC 12: Hybride vormen en evolutionaire economie