Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 4: Marktfalen en de wereldeconomie

Tot nu toe ging het over markten die perfect werken. Dit college gaat over situaties waarin de vrije markt (en dus het prijsmechanisme) niet tot de beste verdeling leidt: marktfalen. Je leert vier soorten goederen te onderscheiden, waarom publieke goederen en common goods problemen geven, en hoe externe effecten tot een welvaartsverlies leiden dat de overheid met een Pigouviaanse belasting of verhandelbare rechten (Coase) kan corrigeren. Het tweede deel van het college geeft een beeld van de wereldeconomie: groei, productiviteit, rente, demografie en klimaat. Dat deel is vooral achtergrond; het marktfalen is tentamenstof die je moet kunnen toepassen.

Wat is marktfalen?

Normaal "lost" de markt het economische probleem op: prijzen coördineren de keuzes van alle deelnemers en bevatten alle relevante informatie, wat de meest efficiënte uitkomst geeft. In elke situatie waarin de vrije markt niet voor een optimale allocatie zorgt, spreken we van marktfalen. Oorzaken zijn bijvoorbeeld:

  • markten die niet goed functioneren (bijvoorbeeld te weinig concurrentie);
  • het type product of dienst (publieke goederen, common goods);
  • onduidelijke eigendomsrechten (externe effecten).

Wat deze oorzaken gemeen hebben, is informatie: de prijzen bevatten niet alle relevante informatie. Dat thema keert in HC 5 terug bij asymmetrische informatie.

Vier soorten goederen

Twee vragen bepalen het type goed:

  • Is het goed uitsluitbaar? Kun je mensen die niet betalen het gebruik ontzeggen?
  • Is het goed rivaliserend? Vermindert het gebruik door de een wat er voor een ander overblijft?
RivaliserendNiet rivaliserend
UitsluitbaarPrivate goederen (brood, kleding, een auto)Clubgoederen (een streamingdienst, een sportschool die niet vol zit)
Niet uitsluitbaarCommon goods (visgronden, drinkwater, drukke wegen)Publieke goederen (defensie, dijken, fundamenteel onderzoek)

Bij publieke goederen en common goods is er geen "prijs". Daardoor wordt er te veel of te weinig van geconsumeerd of in geïnvesteerd. (De slides noemen drie typen; clubgoederen staan erbij voor de volledigheid.)

Publieke goederen en het free-rider probleem

Omdat niemand van een publiek goed kan worden uitgesloten, heeft iedereen een prikkel om niet mee te betalen en mee te liften op anderen: het free-rider probleem. Het resultaat is een sociaal inefficiënte uitkomst. Als je het aan de markt overlaat, worden deze goederen niet of onvoldoende geleverd. Belangrijke publieke goederen zijn defensie en veiligheid, infrastructuur en fundamenteel onderzoek. Ze kunnen eigenlijk alleen via verplichte belastingen worden betaald, maar ook bij belastingen bestaat een free-rider prikkel (ontduiking).

Voor een overheid is het lastig de juiste hoeveelheid van een publiek goed te bepalen. Er is geen prijs die laat zien hoeveel mensen het waarderen, dus de overheid moet de marginal social benefit schatten.

Voorbeeld uit de werkgroep: waarom betalen overheden fundamenteel onderzoek?

Fundamenteel onderzoek is vaak niet direct verkoopbaar, maar wordt gebruikt voor vervolgonderzoek en door andere (commerciële) partijen. Het heeft dus grote externe opbrengsten die een bedrijf niet meeneemt in zijn eigen kosten-batenanalyse. Bovendien is gebruik van de resultaten moeilijk uitsluitbaar en niet rivaliserend, dus er is een free-rider probleem. Beide zorgen voor te weinig aanbod door de markt. Omdat de samenleving als geheel er wel baat bij heeft, is het rationeel dat de overheid het financiert.

Een verwante casus: de overheid wil apothekers toestaan dure medicijnen zelf na te maken. Daarmee blijven de (hoge, risicovolle) ontwikkelkosten privaat, terwijl de opbrengsten "sociaal" worden. Farmaceuten zullen dan minder investeren, en de overheid zal het onderzoek zelf moeten gaan betalen.

Common goods en de tragedy of the commons

Common goods zijn niet uitsluitbaar maar wel rivaliserend. Bij deze goederen lopen de private en de sociale kosten en opbrengsten uiteen. Voor een individu is het rationeel om meer te gebruiken (private opbrengsten > private kosten), terwijl het voor de samenleving rationeel is om minder te gebruiken (totale kosten > totale opbrengsten). Het gevolg is overbenutting en uitputting: de tragedy of the commons, die door Elinor Ostrom uitgebreid is onderzocht. Voorbeelden zijn het milieu, drinkwater, visserij, wegen en wilde dieren. Of zorg, onderwijs en politie als common good worden behandeld, is een politieke keuze.

Oplossingen: quota en financiële prikkels (vangstquota, heffingen) en private eigendomsrechten (wie eigenaar is, heeft er belang bij de bron te sparen). Ostrom liet bovendien zien dat gemeenschappen het gebruik vaak zelf goed kunnen regelen met eigen afspraken.

Voorbeeld uit de werkgroep: wegen en rekeningrijden

Een rustige weg is een publiek goed. Wordt het druk, dan wordt gebruik rivaliserend (files) en wordt de weg een common good: iedere automobilist veroorzaakt sociale kosten (vertraging voor anderen) die hij niet meeweegt. Met rekeningrijden breng je die sociale kosten bij de gebruiker in rekening. Een private afweging leidt dan weer tot een optimale uitkomst; in feite maak je van een common good een privaat goed.

Externe effecten (externaliteiten)

Mensen wegen private kosten en opbrengsten af. Soms heeft hun keuze ook gevolgen voor derden die daarvoor niet worden gecompenseerd of er niet voor betalen. Dat zijn externe effecten. Ze kunnen negatief of positief zijn:

  • Negatief: vervuiling, files, geluidsoverlast van Schiphol, aardbevingen door gaswinning in Groningen, een te sterke deodorant, irritante foto's op sociale media.
  • Positief: onderzoek, onderwijs en cultuur, vaccinaties (je beschermt ook anderen), restauratie van monumenten.

Laat je deze producten aan de markt over, dan ontstaat een niet-optimale uitkomst: te veel consumptie bij negatieve externe effecten en te weinig consumptie bij positieve. Beide leiden zonder ingrijpen tot een welvaartsverlies, omdat de beslisser geen of onvoldoende rekening houdt met de externe kosten en opbrengsten.

De grafiek van een negatieve externaliteit

Teken de vraaglijn (private waarde) en de aanbodlijn (private kosten). Het marktevenwicht ligt bij Qmarkt. Tel bij de private kosten de externe kosten per eenheid op: dat geeft de lijn van de sociale kosten, die boven de private aanbodlijn ligt. Het sociaal optimum ligt waar de vraaglijn de sociale-kostenlijn snijdt, bij een kleinere hoeveelheid Qoptimaal en een hogere prijs.

Tussen Qoptimaal en Qmarkt worden eenheden verhandeld waarvan de sociale kosten hoger zijn dan de waarde voor de koper. Dat verschil in surplus tussen Qmarkt en Qoptimaal is de deadweight loss van de externaliteit: de driehoek tussen de sociale-kostenlijn en de vraaglijn tussen beide hoeveelheden.

Rekenvoorbeeld: vervuilende productie

Vraag: P = 100 − Q. Private marginale kosten: P = 20 + Q. Elke eenheid veroorzaakt €20 schade voor omwonenden.

  • Marktevenwicht: 100 − Q = 20 + Q, dus Qmarkt = 40 en P = 60.
  • Sociale kosten: 40 + Q. Optimum: 100 − Q = 40 + Q, dus Qopt = 30 en P = 70.
  • DWL = ½ × (40 − 30) × 20 = 100.
  • Een Pigouviaanse belasting van €20 per eenheid verschuift het private aanbod naar de sociale-kostenlijn en brengt de markt naar Q = 30.

Bij een positieve externaliteit is het omgekeerd: de sociale opbrengst ligt boven de private vraaglijn. De markt produceert te weinig, en een subsidie ter grootte van de externe opbrengst per eenheid kan de hoeveelheid naar het optimum brengen. Dat is de reden dat overheden onderwijs en onderzoek subsidiëren, terwijl een subsidie in een markt zonder externe effecten juist welvaart kost (HC 3).

Oplossingen: externaliteiten internaliseren

Het idee is de prikkel te veranderen, zodat de beslisser de externe kosten of opbrengsten wél meeweegt (internaliseren):

  • Pigouviaanse belasting: een belasting ter hoogte van de negatieve externaliteit per eenheid. De markt komt dan vanzelf op de sociaal optimale hoeveelheid uit.
  • Coase-theorema: maak de rechten op de externaliteit eigendom en verhandelbaar (bijvoorbeeld emissierechten). Als eigendomsrechten duidelijk zijn en onderhandelen weinig kost, komen partijen via onderhandeling tot de efficiënte uitkomst, ongeacht wie het recht oorspronkelijk heeft. De voorwaarde "lage transactiekosten" komt in HC 7 terug.
Voorbeeld uit de werkgroep: waarom zijn mensen niet vanzelf duurzaam?

De private opbrengst van duurzamer gedrag is klein, omdat de bijdrage van één persoon aan het beperken van klimaatschade vrijwel nihil is. De private kosten (expliciet, en vooral impliciet: gemak, tijd) zijn relatief groot. Vanuit het individu is het dus "rationeel" weinig te veranderen. Het probleem is dat ieders gedrag ook kosten voor anderen oplevert; individuele kosten-batenanalyses leiden daardoor samen tot een slechte uitkomst. Dat is een externaliteit en tegelijk een tragedy of the commons.

De wereldeconomie in vogelvlucht

Het tweede deel van het college schetst de toestand van de (wereld)economie. De hoofdlijnen:

  • Lange termijn groei. Eeuwenlang was er nauwelijks groei; sinds de industriële revolutie is het inkomen per hoofd in de rijke landen vele malen gestegen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben veel landen in Azië een inhaalslag gemaakt, terwijl andere regio's achterbleven.
  • Bbp en ontwikkeling. Bbp per hoofd hangt sterk samen met andere maatstaven van ontwikkeling, zoals levensverwachting, onderwijs en kindersterfte. Daarom is het, ondanks de beperkingen, zo'n belangrijke maatstaf. De betrouwbaarheid van bbp-cijfers verschilt per land.
  • Groei is productiviteit. Langdurige groei komt voort uit productiviteitsgroei. Bronnen zijn kennis en innovatie, ondersteund door de bescherming van intellectueel eigendom en uitgaven aan R&D (vooral door bedrijven), automatisering en robots.
  • Economische activiteit concentreert zich in steden en regio's; urbanisatie gaat samen met hogere productiviteit, maar ook met regionale ongelijkheid.
  • De wereld van bedrijven. De grootste bedrijven ter wereld zijn steeds vaker technologie- en platformbedrijven.
  • Rente. Na jaren van zeer lage rente is de rente sterk gestegen. Hoge rente maakt lenen duurder, remt investeringen en de huizenmarkt en verhoogt de lasten van overheden en bedrijven met veel schuld.
  • Demografie. De bevolking vergrijst in Europa, Japan en ook China; de beroepsbevolking krimpt ten opzichte van het aantal gepensioneerden. Dat zet pensioenstelsels en groei onder druk.
  • Klimaat. Klimaatverandering is het grootste voorbeeld van een negatieve externaliteit en een tragedy of the commons. Tegelijk dalen de kosten van duurzame energie snel, wat reden geeft voor enig optimisme.
Voor het tentamen
  • Ken de twee criteria (uitsluitbaar, rivaliserend) en plaats voorbeelden in het schema. Publiek goed: niet uitsluitbaar en niet rivaliserend. Common good: niet uitsluitbaar maar wel rivaliserend.
  • Publiek goed: free-rider probleem, te weinig aanbod. Common good: tragedy of the commons, te veel gebruik.
  • Negatieve externaliteit: marktproductie te hoog. Positieve: te laag. Beide geven een deadweight loss.
  • Reken de DWL van een externaliteit uit als ½ × (Qmarkt − Qopt) × externe kosten per eenheid (bij een constante externe kost).
  • Oplossingen: Pigouviaanse belasting (of subsidie bij positieve effecten), verhandelbare rechten (Coase), quota, eigendomsrechten.

Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde

Test jezelf met oefenvragen