Begrippen Organisatietheorie
- Organisatie
- Een samenwerkingsverband van mensen die met passende kennis en middelen samenwerken om een bepaald doel te bereiken. Breder dan ‘bedrijf’: ook scholen, clubs en vakbonden.
- Sociaal systeem
- Achterbergh en Vriens zien organisaties als sociale systemen: alles gebeurt in interactie tussen mensen, en die interactie is gericht op de vier basisactiviteiten.
- Contingentiebenadering
- Er is geen universele set managementprincipes; de passende inrichting hangt af van situationele factoren zoals omgeving, technologie en omvang. Kijkt van buiten naar binnen.
- Systeembenadering
- Een organisatie als geheel van onderling verbonden en afhankelijke onderdelen (input, transformatie, output). Het Nijmeegse organisatiemodel is een systeembenadering.
- Primair proces
- Het proces dat invoer omzet in de producten en diensten van de organisatie, zoals zorg verlenen of meubels maken.
- Operationeel regelen
- Verstoringen in het primaire proces voorkomen of opvangen zodat het proces door kan gaan, zoals een afspraak verzetten of een kapot bed repareren.
- Stellen van doelen
- Doelen voor het primaire proces formuleren en zo nodig aanpassen, over type, kwantiteit, kwaliteit en bijeffecten. Bij Achterbergh en Vriens: strategic regulation.
- Zorgen voor voorwaarden
- De infrastructuur (HR, technologie, structuur) zo inrichten dat de andere activiteiten goed kunnen verlopen. Bij Achterbergh en Vriens: regulation by design.
- Infrastructuur
- Het geheel van HR, technologie en structuur op een bepaald moment: de voorwaarden waarmee de basisactiviteiten worden uitgevoerd.
- Interactiepremissen
- De omstandigheden die bepalen hoe de interacties (basisactiviteiten) verlopen: infrastructuur, cultuur en omgeving.
- Bijeffecten
- Gevolgen van een organisatie naast haar producten en diensten: positief (werkgelegenheid, kennis) of negatief (vervuiling, stress).
- Ontologie
- Opvatting over de aard van de werkelijkheid: bestaat die objectief, los van de waarnemer, of wordt ze sociaal geconstrueerd?
- Epistemologie
- Opvatting over hoe we de werkelijkheid kunnen kennen: algemene wetten of kennis die altijd aan tijd en plaats gebonden is?
- Methodologie
- De manier waarop kennis in onderzoek wordt gegenereerd, grofweg kwantitatief (surveys, experimenten) of kwalitatief (interviews, observaties).
- Axiologie
- Het onderliggende doel en de waarden van onderzoek: verklaren, begrijpen, emanciperen of ontwerpen.
- Conceptualiseren
- Fenomenen benoemen (naming) en in een kader plaatsen (framing) met theoretische concepten. Volgens Cornelissen et al. de kern van theoretiseren.
- Verklarend theoretiseren
- Gaat uit van één objectieve werkelijkheid en zoekt causale verbanden om uitkomsten te verklaren en te voorspellen, meestal kwantitatief en deductief.
- Interpretatief theoretiseren
- Ziet de werkelijkheid als sociale constructie en wil begrijpen hoe en waarom betekenissen en handelingen ontstaan, meestal kwalitatief en inductief.
- Emancipatoir theoretiseren
- Kritische vorm die verborgen machtsstructuren en ongelijkheid blootlegt (deconstrueren en demystificeren) en ter discussie stelt.
- Ontwerpkundig theoretiseren
- Ziet de werkelijkheid als object van verandering en ontwikkelt geteste design proposities om nieuwe systemen te ontwerpen.
- Pluralisme in theoretiseren
- Het standpunt van Cornelissen et al. en Romme dat geen vorm van theoretiseren boven de andere staat en dat de vormen elkaar aanvullen.
- Design propositie
- Een voorlopige ontwerpregel van de vorm ‘om A te bereiken in situatie S, doe D’. Na toetsing in pragmatische experimenten heet ze bij Romme een design rule.
- Ideaal doelsysteem
- Bij Romme een ideaalbeeld van een systeem dat helpt de huidige situatie te begrijpen en het ontwerpproces richting te geven, zoals het circulaire ontwerp.
- Circulair ontwerp (sociocratie)
- Organisatieontwerp van Endenburg met een circulaire structuur bovenop de hiërarchie, waarin beleidsbesluiten op basis van consent (geen beargumenteerd bezwaar) worden genomen.
- Structuur
- De manier waarop taken zijn gedefinieerd en ten opzichte van elkaar zijn gekoppeld. Bestaat uit specialisatie en hiërarchie.
- Specialisatie
- Het opdelen van het primaire proces in kleinere deeltaken. Hoge specialisatie betekent dat ieder één kleine stap uitvoert.
- Hiërarchie
- De verdeling van beslissingsbevoegdheden en dus van macht; raakt vooral operationeel regelen, zorgen voor voorwaarden en het stellen van doelen.
- Informele structuur
- De werkelijke contacten en invloed in een organisatie naast de formele taakverdeling en gezagslijnen.
- Bewerkingsgericht (functioneel)
- Groepering waarbij medewerkers met dezelfde bewerking bij elkaar zitten en het product of de klant van afdeling naar afdeling gaat.
- Ordergebonden (productgericht)
- Groepering waarbij een team alle bewerkingen voor één product, order of klantgroep uitvoert, wat de afstemming tussen afdelingen vermindert.
- Scientific management
- Taylors gebruik van wetenschappelijke methoden (tijd- en bewegingsstudies) om de beste werkwijze vast te stellen, met scheiding van denken en doen.
- Fordisme
- Toepassing van het taylorisme op de gestandaardiseerde lopende band, met vaste gespecialiseerde taken en controle door managers.
- Bureaucratie
- Weberiaans ideaaltype met sterke arbeidsdeling, strikte hiërarchie, formalisatie en onpersoonlijke werkrelaties.
- Rationeel-legale autoriteit
- Gezag op basis van rationeel opgestelde regels; volgens Weber de basis van de bureaucratie, naast charismatische en traditionele autoriteit.
- Ideaaltype
- Een theoretische, zuivere vorm (zoals Webers bureaucratie) die in de werkelijkheid zelden precies voorkomt.
- Sociotechnische structuur
- Multidisciplinaire, ordergebonden teams met veel autonomie, waarin denken en doen bij elkaar blijven. Tegenpool van de bureaucratie.
- Totalitaire institutie
- Doorgeschoten bureaucratie met strikte hiërarchie, voortdurend verticaal en horizontaal toezicht en vrijwel geen persoonlijke vrijheid.
- M-structuur
- Multidivisionele structuur met centrale diensten en divisies per product of regio; beslissingen gedelegeerd, output centraal gecontroleerd.
- Matrixstructuur
- Twee structuren over elkaar: dubbele specialisatie en dubbele hiërarchie, zodat medewerkers twee leidinggevenden hebben.
- Panopticum
- Ontwerp van Bentham waarin bewakers iedereen kunnen zien zonder dat de bewaakten weten wanneer; beeld voor doorgedreven toezicht.
- Empowerment
- Macht overdragen aan medewerkers via zelfsturende teams en meer autonomie; gaat volgens kritische auteurs vaak samen met nauwer toezicht.
- Taakonzekerheid
- Bij Galbraith: het aantal uitzonderingen en de analyseerbaarheid van het werk. Hoe hoger, hoe meer informatie tijdens de uitvoering verwerkt moet worden.
- Informatieverwerking
- De coördinatie tussen mensen in een organisatie, horizontaal en verticaal.
- Mechanistisch model
- Galbraiths basismodel van coördinatie via regels en procedures, hiërarchie, en doelen en subdoelen. Raakt bij veel onzekerheid overbelast.
- Slack resources (buffers)
- Extra voorraad, capaciteit of tijd die de behoefte aan informatieverwerking verlaagt, tegen hoge kosten en langere levertijden.
- Self-contained tasks
- Zelfstandige taakeenheden per product, klant of regio met eigen middelen; verlagen de informatiebehoefte, maar kosten schaalvoordelen.
- Verticale informatiesystemen
- Formele systemen die kwantitatieve informatie snel naar beslissers brengen en zo de capaciteit voor informatieverwerking verhogen.
- Laterale relaties
- Verbindingen dwars door de hiërarchie: direct contact, liaisonrollen, taakgroepen, teams, integrerende rollen, linking roles en de matrix.
- Liaisonrol
- Een medewerker die er formeel de taak bij krijgt om de communicatie tussen twee afdelingen te verzorgen.
- Regelcapaciteit
- De mate waarin medewerkers zelf mogen bepalen hoe ze aan de eisen van hun werk voldoen. Laag in het mechanistische model, hoog in de sociotechniek.
- Configuratie (Mintzberg)
- Een samenhangende vorm van de vijf onderdelen plus ideologie, met een dominant onderdeel en coördinatiemechanisme, zoals de machine- of professionele organisatie.
- Technostructuur
- Bij Mintzberg de analisten die werk standaardiseren; dominant in de machineorganisatie.
- Cultuur (Hofstede)
- Collectieve mentale programmering die de leden van de ene groep onderscheidt van die van een andere.
- Machtsafstand
- De mate waarin minder machtige leden van organisaties verwachten en accepteren dat macht ongelijk verdeeld is.
- Onzekerheidsvermijding
- De mate waarin leden van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties.
- Individualisme en collectivisme
- Individualistisch: losse banden, ieder zorgt voor zichzelf en het naaste gezin. Collectivistisch: hechte groepen die bescherming bieden in ruil voor loyaliteit.
- Masculiniteit en femininiteit
- Masculien: gescheiden sekserollen en nadruk op assertiviteit en materieel succes. Feminien: overlappende rollen en nadruk op bescheidenheid en kwaliteit van leven.
- Organisatiecultuur (Schein)
- Een patroon van gedeelde basisveronderstellingen dat een groep heeft geleerd bij externe aanpassing en interne integratie en dat aan nieuwkomers wordt doorgegeven.
- Artefacten
- Het zichtbare niveau van cultuur bij Schein: gebouwen, kleding, logo’s, rituelen en omgangsvormen.
- Uitgesproken waarden
- Het middelste niveau bij Schein: normen en overtuigingen die mensen benoemen, bijvoorbeeld in speeches en missieverklaringen.
- Basisveronderstellingen
- Het diepste niveau bij Schein: onbewuste, vanzelfsprekende wereldbeelden die gedrag sturen; het moeilijkst te zien en te veranderen.
- Antenarratief
- Bij Boje een verhaalfragment dat zich met andere verhalen verbindt en onderweg is om een organisatieverhaal te worden.
- Integratieperspectief
- Martins perspectief dat cultuur ziet als consistent, duidelijk en gedeeld met de waarden van de top; negeert subculturen.
- Differentiatieperspectief
- Martins perspectief dat meerdere subculturen ziet, bijvoorbeeld van beroepsgroepen; risico dat het zelfvervullend is.
- Fragmentatieperspectief
- Martins perspectief dat cultuur ziet als veranderlijk, partieel en ambigu, eerder een proces dan een stabiel waardesysteem.
- 7S-model
- Model van Peters en Waterman met strategy, structure, systems, skills, staff, style en in het midden shared values.
- Simultaneous loose-tight properties
- Kenmerk van excellente bedrijven volgens Peters en Waterman: veel autonomie op de werkvloer binnen strak gedeelde kernwaarden.
- Corporate culturism
- Willmotts term voor de beweging die cultuur behandelt als instrument dat managers kunnen manipuleren voor concurrentievoordeel.
- Doublethink
- Orwelliaans begrip dat Willmott gebruikt: corporate culturism belooft autonomie en ontkent die tegelijk, omdat autonomie gehoorzaamheid aan bedrijfswaarden wordt.
- Culture pragmatists
- Bij Willmott de auteurs die de voorschriften van corporate culturism volgen en tegenbewijs negeren; verwant aan ontwerpkundige benaderingen.
- Culture purists
- Bij Willmott antropologisch geïnspireerde onderzoekers die corporate culturism academisch gebrekkig vinden, maar de morele kant negeren.
- Instrumentele rationaliteit
- Handelen gericht op het efficiënt bereiken van een gegeven doel. Willmott stelt dat corporate culturism dit uitbreidt ten koste van waarderationaliteit.
- Waarderationaliteit
- Handelen vanuit een zelf afgewogen waarde. Volgens Willmott ondermijnen monoculturen de ruimte om tussen concurrerende waarden te kiezen.
- Technologie (enge en ruime zin)
- In enge zin de hardware; in ruime zin het geheel van kennis, processen, hulpmiddelen en apparatuur waarmee input in output wordt omgezet.
- Technische complexiteit
- Woodwards maat voor technologie, van stuk- en kleinserieproductie via massaproductie naar procesproductie.
- Technological imperative
- Opvatting dat technologie als objectieve externe kracht de structuur en het gedrag in organisaties bepaalt.
- Structuratietheorie
- Theorie van Giddens: menselijk handelen wordt mogelijk gemaakt en beperkt door structuren, die zelf het resultaat zijn van eerder handelen.
- Dualiteit van technologie
- Orlikowski: technologie is zowel een product van menselijk handelen als iets wat dat handelen mogelijk maakt en beperkt.
- Interpretatieve flexibiliteit
- Orlikowski: mensen kunnen dezelfde technologie verschillend interpreteren en gebruiken, binnen grenzen van materiaal, context en macht.
- Autonomieparadox
- Mazmanian et al.: professionals gebruiken mobiele e-mail om autonomie te winnen, maar beperken door collectieve escalatie van bereikbaarheid hun eigen autonomie.
- Verticaal en horizontaal toezicht
- Sewell: toezicht van leidinggevende op ondergeschikte (verticaal) of van collega’s op elkaar in teams (horizontaal).
- Concertive control
- Horizontale controle in teams (Barker): verantwoordelijkheid voor teamgenoten zet mensen aan hard te werken en elkaar te corrigeren.
- Algoritmisch toezicht
- Newlands: toezicht waarbij een algoritme gegevens verzamelt, gedrag beoordeelt en werk toewijst, in plaats van een menselijke leidinggevende.
- Cartografische dissonantie
- Newlands: de kloof tussen de werkelijke, lichamelijke ervaring van werkenden en het abstracte digitale landschap waarop het platform beslist.
- Structurering van activiteiten
- Aston-dimensie: de mate van standaardisatie, formalisatie en specialisatie.
- Concentratie van beslissingsmacht
- Aston-dimensie: de mate van centralisatie van besluitvorming.
- Isomorfisme
- Het proces waardoor organisaties in een veld op elkaar gaan lijken, volgens DiMaggio en Powell eerder gelijkvormiger dan efficiënter.
- Institutioneel veld
- Organisaties die samen een herkenbaar gebied van het maatschappelijk leven vormen: leveranciers, afnemers, toezichthouders en vergelijkbare aanbieders.
- Dwingend isomorfisme
- Gelijkvormigheid door druk van partijen waarvan een organisatie afhankelijk is, zoals wetten en regels van de overheid.
- Mimetisch isomorfisme
- Gelijkvormigheid door het nadoen van organisaties die als succesvol en legitiem gelden, vooral bij onzekerheid.
- Normatief isomorfisme
- Gelijkvormigheid door de invloed van professies: opleiding, socialisatie en beroepsnetwerken.
- Ontkoppeling (decoupling)
- Meyer en Rowan: formele structuren worden aangenomen voor legitimiteit, maar staan los van de dagelijkse praktijk.
- Mechanisch en organisch
- Burns en Stalker: mechanische structuren (formeel, centraal, gespecialiseerd) passen bij stabiliteit, organische (informeel, decentraal, veel overleg) bij turbulentie.
- Managementconcept
- Een voorschrijvende visie op een aspect van management met een herkenbaar label, zoals Lean of Agile.
- Logic of appropriateness
- Handelen vanuit de vraag wat past bij je rol en de situatie, in plaats van vanuit de verwachte uitkomst (logic of consequence). Kern van Wilhelm en Bort.
- Modern HRM
- Het doelgericht managen van personeel zodat de organisatie haar doelen haalt, proactief en afgeleid van de strategie.
- Strategisch HRM
- HRM dat zich richt op de bijdrage van personeelsbeleid aan de prestaties van de organisatie, in samenhang met de strategie.
- Strategische (verticale) fit
- De afstemming tussen HR-praktijken en de concurrentiestrategie van de organisatie.
- Best practice en best fit
- Best practice: sommige HR-praktijken werken overal. Best fit: de effectiviteit van HR-praktijken hangt af van de context en strategie.
- Resource-based view
- Inside-out opvatting: interne middelen die waardevol, schaars, moeilijk te imiteren en niet te vervangen zijn, vormen de basis voor duurzaam voordeel.
- AMO-theorie
- Prestaties en leren hangen af van abilities (kunnen), motivation (willen) en opportunity (de gelegenheid krijgen).
- Hard en soft HRM
- Hard HRM benadrukt controle en de match tussen mens en taak (Theory X); soft HRM benadrukt ontplooiing, teamwerk en autonomie (Theory Y).
- Predictieve validiteit
- De mate waarin een selectie-instrument latere prestaties voorspelt; het gestructureerde interview scoort het hoogst (0,42).
- Competentie
- Een waarneembare eigenschap in de vorm van toegepaste kennis of gedrag die bijdraagt aan succesvol functioneren in een rol.
- Employer branding
- Het promoten van de organisatie als aantrekkelijke werkgever.
- Realistic job preview
- In de werving zowel de positieve als de negatieve kanten van de functie tonen, wat een sterker psychologisch contract en minder verloop geeft.
- Totale beloning
- Alle vormen van beloning samen: direct en indirect financieel, en relationeel (erkenning, werkzekerheid, leerkansen, uitdagend werk).
- Organisationeel leren
- Het proces waarbij mensen kennis ontwikkelen en delen in organisaties, waardoor nieuwe eigenschappen van de organisatie ontstaan.
- Absorptive capacity
- De mate waarin een organisatie nieuwe kennis kan herkennen en verwerken.
- Impliciete (tacit) kennis
- Persoonlijke, moeilijk overdraagbare kennis uit ervaring en intuïtie, te delen via observatie en socialisatie.
- Expliciete kennis
- Gestructureerde, makkelijk overdraagbare kennis die op schrift of digitaal kan worden vastgelegd.
- Exploitatie
- Incrementele innovatie: bestaande kennis en processen verbeteren en verfijnen (March).
- Exploratie
- Radicale innovatie: geheel nieuwe kennis creëren via zoeken, experimenteren en risico nemen (March).
- Ambidextere organisatie
- Een organisatie die exploitatie en exploratie combineert door ze van elkaar te scheiden.
- Single-loop leren
- Reactief leren: acties aanpassen binnen bestaande normen en doelen (Argyris en Schön).
- Double-loop leren
- Veranderingsleren: ook de onderliggende normen, doelen en aannames ter discussie stellen.
- Triple-loop leren
- Deutero-leren: leren over hoe de organisatie leert en dat leerproces verbeteren.
- Innovatie
- Het implementeren van een nieuw of aanzienlijk verbeterd product, dienst of manier van werken.
- Innovation journey
- Van de Ven en collega’s: innovatie als complex, niet-lineair proces van initiatie, ontwikkeling en implementatie.
- Open innovatie
- Chesbrough: innoveren met behulp van externe kennisbronnen zoals gebruikers, leveranciers, universiteiten en zelfs concurrenten.
- Disruptieve technologie
- Christensen: technologie die eerst slechter presteert dan bestaande producten, maar later de markt overneemt; gevestigde bedrijven missen haar vaak.
- Creatieve destructie
- Schumpeter: innovaties komen in golven en verdringen de vorige, zichtbaar in opeenvolgende S-curves.
- Unfreeze, move, refreeze
- Lewins driestappenmodel: het bestaande evenwicht verstoren, via actieonderzoek veranderen en het nieuwe gedrag stabiliseren.
- Actieonderzoek
- Lewins aanpak van verandering in een cirkel van plannen, handelen en onderzoeken wat de acties opleverden.
- Synoptische benadering
- Verandering van buitenaf bekeken als afgerond voorval tussen twee toestanden, meestal als fasemodel.
- Organizational becoming
- Tsoukas en Chia: verandering is de normale toestand en organisatie is een secundaire prestatie die uit verandering voortkomt.
- Bounded rationality
- Begrensde rationaliteit: beslissers willen rationeel zijn, maar worden beperkt door cognitie, tijd en informatie (March en Simon).
- Satisficing
- Kiezen voor de eerste bevredigende oplossing uit een beperkte set alternatieven in plaats van de optimale.
- Garbage can model
- Besluiten als toevallige samenloop van los gekoppelde stromen: oplossingen, deelnemers, problemen en keuzemomenten.
- Programmeerbare besluiten
- Routinematige beslissingen die met regels en richtlijnen kunnen worden genomen, in tegenstelling tot nieuwe, complexe niet-programmeerbare besluiten.
- Macht (Dahl)
- A heeft macht over B als A iets doet waardoor B iets doet wat B anders niet zou doen.
- Dominantie (Weber)
- Een situatie waarin ondergeschikten de legitimiteit van het gezag niet erkennen, in tegenstelling tot autoriteit.
- Strategische contingentietheorie
- Crozier: macht komt voort uit het vermogen om voor de organisatie essentiële onzekerheden te beheersen, als niemand anders dat kan.
- Resource dependence
- Pfeffer en Salancik: afhankelijkheid van de omgeving schept onzekerheid en daarmee kansen op macht; organisaties reageren met adaptatie of dominantie.
- Legitimiteit
- Suchman: de algemene opvatting dat het handelen van een entiteit wenselijk, juist of gepast is binnen een sociaal systeem.
- Organisatieconflict
- Conflict dat voortkomt uit werkelijke of ervaren tegengestelde waarden, behoeften en belangen tussen mensen die samenwerken.
- Soft domination
- Clegg en Courpasson: subtiele mechanismen zoals loopbanen, beloning en status die gehoorzaamheid bevorderen en het centrale gezag versterken.
- Totale institutie
- Goffman: organisatie met constant toezicht en insluiting, een monopolie over haar leden en afsnijding van de samenleving.