Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Kwantitatieve Methoden 1

Variabele
Een kenmerk dat verschilt tussen onderzoekseenheden, zoals leeftijd of opleidingsniveau. In SPSS een kolom van de datamatrix.
Populatie
De hele groep waarover je een uitspraak wilt doen. Kenmerken van de populatie heten parameters (μ, σ).
Steekproef
Het deel van de populatie dat je werkelijk onderzoekt. Kenmerken van de steekproef heten statistieken (x̄, s).
Aselecte steekproef
Een steekproef waarbij elke eenheid in de populatie dezelfde kans heeft om getrokken te worden; de beste garantie voor representativiteit.
Representativiteit
De mate waarin de steekproef qua relevante kenmerken overeenkomt met de populatie. Grootte alleen garandeert die niet.
Nominaal meetniveau
Alleen categorieën zonder ordening, zoals geslacht of land. Alleen de modus is een zinvolle maat.
Ordinaal meetniveau
Categorieën met een rangorde maar zonder gelijke afstanden, zoals opleidingsniveau. Mediaan en IQR zijn de geschikte maten.
Intervalniveau
Gelijke afstanden tussen waarden maar geen natuurlijk nulpunt, zoals temperatuur in graden Celsius.
Rationiveau
Gelijke afstanden en een absoluut nulpunt, zodat verhoudingen zinvol zijn, zoals inkomen of aantal volgers.
Modus
De score die het vaakst voorkomt; bruikbaar op elk meetniveau.
Mediaan
De middelste score na ordening van laag naar hoog, op positie (n + 1)/2; ongevoelig voor uitschieters.
Gemiddelde
De som van de scores gedeeld door het aantal; wordt meegetrokken door extreme waarden.
Range
Hoogste min laagste score; bepaald door de twee meest extreme waarden.
Interkwartielafstand (IQR)
De afstand tussen het eerste en derde kwartiel: het bereik van de middelste 50% van de scores.
Kwadratensom (SS)
De som van de gekwadrateerde afwijkingen van het gemiddelde; basis van variantie, ANOVA en regressie.
Variantie
Kwadratensom gedeeld door n − 1: de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde.
Standaardafwijking
De wortel uit de variantie: de typische afstand van een score tot het gemiddelde, in de oorspronkelijke eenheid.
Scheefheid (skewness)
Asymmetrie van een verdeling. Rechtsscheef: lange staart rechts, gemiddelde groter dan mediaan. Linksscheef: omgekeerd.
Kurtosis (steilheid)
Hoe spits (positief, leptokurtisch) of plat (negatief, platykurtisch) een verdeling is.
Boxplot
Grafiek met mediaan, kwartielen (de doos), snorharen en uitschieters; handig om groepen te vergelijken.
Histogram
Staafdiagram voor een continue variabele waarin de staven tegen elkaar aan staan; toont vorm en spreiding.
Empirische regel
Bij een normale verdeling ligt ongeveer 68%, 95% en 99,7% binnen 1, 2 en 3 standaardafwijkingen van het gemiddelde.
Normale verdeling
Klokvormige, symmetrische verdeling waarin gemiddelde, mediaan en modus samenvallen; bepaald door μ en σ.
z-score
Het aantal standaardafwijkingen dat een score boven of onder het gemiddelde ligt: (x − μ)/σ.
Standaardnormale verdeling
De normale verdeling met gemiddelde 0 en standaardafwijking 1; de oppervlaktes staan in de z-tabel.
Larger en smaller portion
De twee oppervlaktes die de z-tabel bij een z-waarde geeft: het grote deel en de staart. Samen 1.
Uitzonderlijke waarneming
Vuistregel: meer dan 2 standaardafwijkingen van het gemiddelde is uitzonderlijk, meer dan 3 zeer uitzonderlijk.
Kans
De waarschijnlijkheid dat een uitkomst voorkomt, als proportie tussen 0 en 1. Alle kansen samen tellen op tot 1.
Random variabele
Een getal dat aan elke uitkomst van een experiment of survey wordt gekoppeld; discreet of continu.
Discrete variabele
Een variabele met telbare, gehele waarden, meestal een eindig aantal, zoals het aantal kinderen.
Continue variabele
Een variabele die elke waarde in een interval kan aannemen; een kans is dan een oppervlakte onder de curve.
Kansverdeling
De kansen voor alle mogelijke uitkomsten van een random variabele, bijvoorbeeld de z-, t-, χ²- of F-verdeling.
Steekproevenverdeling
De verdeling van een steekproefstatistiek over alle mogelijke steekproeven van dezelfde omvang; basis voor schatten en toetsen.
Centrale limietstelling
Bij n ≥ 30 is de steekproevenverdeling van het gemiddelde bij benadering normaal, met gemiddelde μ en standaardfout σ/√n.
Standaardfout (SE)
De standaardafwijking van de steekproevenverdeling: s/√n voor een gemiddelde. Kleiner bij grotere steekproeven.
Zuiverheid
Een schatter is zuiver als hij gemiddeld over alle steekproeven gelijk is aan de populatiewaarde.
Efficiëntie
Een schatter is efficiënt als hij weinig spreiding (een kleine standaardfout) rond de populatiewaarde heeft.
t-verdeling
Symmetrische verdeling met dikkere staarten dan de normale, gebruikt bij kleine steekproeven met onbekende σ; vorm hangt af van df.
Vrijheidsgraden (df)
Het aantal waarden dat vrij kan variëren bij het schatten; bepaalt de vorm van t-, χ²- en F-verdelingen. Bij één gemiddelde n − 1.
Puntschatter
Eén getal als schatting van een populatieparameter, zoals x̄ voor μ; bevat geen maat van betrouwbaarheid.
Betrouwbaarheidsinterval
Een interval rond een schatting dat bij herhaald steekproeven in een vast percentage van de gevallen de parameter bevat.
Betrouwbaarheidsniveau
Het percentage 1 − α, meestal 90, 95 of 99%; hoger niveau geeft een breder interval.
Foutmarge
De halve breedte van een betrouwbaarheidsinterval: kritieke waarde maal standaardfout.
Proportie
Het aandeel eenheden met een kenmerk, tussen 0 en 1; het gemiddelde van een 0/1-variabele.
Hypothese
Een theoretische veronderstelling over een variabele of een relatie tussen variabelen.
Nulhypothese (H0)
De status quo: geen verschil of geen effect. Wordt verworpen of niet verworpen.
Alternatieve hypothese (Ha)
Wat de onderzoeker verwacht: een afwijking van de status quo, gericht (> of <) of ongericht (≠).
Eenzijdige toets
Toets bij een gerichte verwachting; het hele α ligt in één staart van de verdeling.
Tweezijdige toets
Toets bij een ongerichte verwachting; α wordt verdeeld over beide staarten.
Significantieniveau (α)
De vooraf gekozen kans op een Type I-fout, meestal 0,05.
Type I-fout
H0 verwerpen terwijl H0 waar is (vals alarm); kans α.
Type II-fout
H0 niet verwerpen terwijl Ha waar is (effect gemist); kans β.
Power
Onderscheidingsvermogen 1 − β: de kans een bestaand effect als significant te vinden; groter bij grotere n.
Kritieke waarde
De grens van het verwerpingsgebied; voorbij die waarde verwerp je H0.
Verwerpingsgebied
Het deel van de steekproevenverdeling onder H0 met onwaarschijnlijke uitkomsten, samen ter grootte α.
p-waarde
De kans op de gevonden of een extremere uitkomst als H0 waar is; in SPSS 'Sig.'. Verwerp H0 als p < α.
Toetsingsgrootheid
Het getal waarmee je toetst, zoals z, t, F of χ²: meestal een effect gedeeld door een maat voor toevallige variatie.
One-sample t-toets
Vergelijkt één steekproefgemiddelde met een vaste waarde onder H0 (de test value).
Independent samples t-toets
Vergelijkt de gemiddelden van twee onafhankelijke groepen op dezelfde variabele.
Paired samples t-toets
Vergelijkt twee metingen of variabelen bij dezelfde eenheden via het gemiddelde verschil.
Levene's test
Toetst of de varianties in de groepen gelijk zijn (H0). Significant betekent ongelijke varianties.
Gepaarde waarnemingen
Twee scores die bij dezelfde eenheid horen en daardoor niet onafhankelijk zijn.
Kruistabel
Tabel met de combinaties van de categorieën van twee categorische variabelen.
Voorwaardelijke kans
De kans op X gegeven Y: P(X en Y)/P(Y).
Statistische onafhankelijkheid
De kans op X verandert niet door kennis van Y: P(X | Y) = P(X).
Verwacht aantal
Het aantal in een cel bij onafhankelijkheid: rijtotaal maal kolomtotaal gedeeld door N.
Chi-kwadraattoets
Toets op samenhang tussen categorische variabelen via de som van (f − E)²/E over alle cellen; df = (r − 1)(c − 1).
Representativiteitstoets
Chi-kwadraattoets die de verdeling van één variabele vergelijkt met bekende populatiepercentages; df = k − 1.
Cramér's V
Maat voor de sterkte van samenhang in een kruistabel, tussen 0 en 1; rond 0,10 zwak, 0,30 matig, 0,50 sterk.
Odds
De kans dat iets gebeurt gedeeld door de kans dat het niet gebeurt: p/(1 − p).
Odds ratio
De verhouding van de odds van twee groepen; 1 betekent geen verschil.
Trivariate analyse
Analyse van de samenhang tussen X en Y binnen de categorieën van een derde variabele Z.
Schijnrelatie
Samenhang tussen X en Y die verdwijnt als je controleert voor Z, omdat Z beide veroorzaakt.
Indirecte relatie
X beïnvloedt Y via Z (mediatie); de samenhang verdwijnt als je controleert voor Z.
Interactie (specificatie)
Het effect van X op Y verschilt per categorie of waarde van Z (moderatie).
Scatterplot
Spreidingsdiagram met X horizontaal en Y verticaal; toont richting, sterkte, vorm en uitschieters.
Kruisproduct
Afwijking op X maal afwijking op Y voor één eenheid; de som ervan is de basis van de covariantie.
Covariantie
Mate waarin twee variabelen samen variëren: som van de kruisproducten gedeeld door N − 1; afhankelijk van de eenheden.
Pearsons correlatiecoëfficiënt
Gestandaardiseerde maat voor lineaire samenhang tussen twee metrische variabelen, tussen −1 en +1.
Spearmans rangcorrelatie
Correlatie op rangnummers, voor ordinale variabelen of scheve data; meet monotone samenhang.
Causaliteit
Oorzaak-gevolgrelatie; samenhang alleen bewijst die niet.
Variantieanalyse (ANOVA)
Toets op verschillen tussen de gemiddelden van meer dan twee groepen door de spreiding tussen en binnen groepen te vergelijken.
Factor
Een categorische onafhankelijke variabele in een variantieanalyse, met twee of meer niveaus.
Kanskapitalisatie
Het oplopen van de totale kans op een Type I-fout bij meerdere toetsen: 1 − (1 − α)^k.
Bonferroni-correctie
Het significantieniveau per toets delen door het aantal toetsen; beschermt tegen kanskapitalisatie maar kost power.
SST
Totale kwadratensom: alle scores ten opzichte van het totale gemiddelde.
SSM
Modelkwadratensom (between): het door het model verklaarde deel van de spreiding.
SSE
Errorkwadratensom (within, residual): het onverklaarde deel van de spreiding.
Mean square (MS)
Kwadratensom gedeeld door de bijbehorende vrijheidsgraden: een gemiddelde variantie.
F-toets
Toets met F = MSM/MSE: verklaarde tegenover onverklaarde variantie; altijd rechtszijdig.
Homogeniteit van varianties
De assumptie dat de varianties in alle groepen gelijk zijn; getoetst met Levene.
Post-hoctoets
Gecorrigeerde paarsgewijze vergelijking na een significante F: Tukey, Bonferroni of Games-Howell.
Games-Howell
Post-hoctoets die geschikt is bij ongelijke varianties tussen de groepen.
Factoriële ANOVA
Variantieanalyse met twee of meer factoren, die hoofdeffecten en interactie-effecten toetst.
Hoofdeffect
Het effect van één factor gemiddeld over de niveaus van de andere factor.
Interactie-effect
Het effect van een factor hangt af van het niveau van een andere factor.
Interactieplot
Grafiek van groepsgemiddelden met een factor op de as en de andere als lijnen; niet-evenwijdige lijnen wijzen op interactie.
Simple effects
Het effect van de ene factor binnen elk niveau van de andere factor apart; gebruikt om een interactie uit te werken.
Regressieanalyse
Techniek die de waarde van een metrische Y voorspelt uit een of meer onafhankelijke variabelen.
Intercept (β₀)
De verwachte waarde van Y als alle X'en nul zijn; vaak zonder praktische betekenis als X = 0 niet voorkomt.
Helling (β₁)
De verwachte verandering in Y bij één eenheid meer X.
Residu
Het verschil tussen de werkelijke en de voorspelde waarde van Y.
Kleinste kwadraten (OLS)
Schattingsmethode die de som van de gekwadrateerde residuen minimaliseert.
Determinatiecoëfficiënt (R²)
Deel van de variantie in Y dat het model verklaart: SSM/SST.
Adjusted R²
R² gecorrigeerd voor het aantal variabelen; gebruikt om modellen te vergelijken.
Gestandaardiseerde coëfficiënt (Beta)
Regressiecoëfficiënt uitgedrukt in standaardafwijkingen; vergelijkbaar tussen variabelen met verschillende eenheden.
Puntschatter in regressie
Voorspelde Y door een X-waarde in de vergelijking in te vullen; alleen binnen het bereik van de data.
Controlevariabele
Een variabele die je opneemt om het effect van andere variabelen zuiverder te schatten, onder constanthouding.
Multicollineariteit
Te sterke samenhang tussen onafhankelijke variabelen, waardoor standaardfouten worden opgeblazen.
Tolerance
1 − R² uit een hulpregressie van een onafhankelijke variabele op de andere; onder 0,40 problematisch.
VIF
Variance inflation factor, 1/tolerance; boven 2,5 problematisch. √VIF is de factor waarmee de SE wordt opgeblazen.
Lineariteit
De assumptie dat het verband tussen X en Y recht is; controle met een scatterplot.
Uitschieter (outlier)
Waarneming met een groot residu, vuistregel: meer dan 3 standaardfouten van de regressielijn.
Invloedrijke waarneming
Waarneming die de regressielijn sterk naar zich toe trekt en zo de coëfficiënten vertekent.
Homoscedasticiteit
Gelijke variantie van de residuen voor alle waarden van X; het tegendeel heet heteroscedasticiteit.
Hogere-ordemodel
Regressiemodel met een kwadratische (of hogere) term om een gebogen verband te modelleren.
Dummyvariabele
Een 0/1-variabele voor één categorie van een categorische variabele; je neemt er c − 1 op.
Referentiecategorie
De categorie zonder dummy; het intercept hoort erbij en de dummycoëfficiënten zijn verschillen ermee.
Interactieterm
Het product van twee onafhankelijke variabelen in een regressie, waarmee je toetst of het effect van de een van de ander afhangt.
Toetskeuze
De keuze voor een toets volgt primair uit het meetniveau van afhankelijke en onafhankelijke variabelen en uit het aantal groepen.