Begrippen Kwalitatieve Methoden
- Kwalitatief onderzoek
- Onderzoek gericht op het verzamelen en interpreteren van talig materiaal om uitspraken te doen over een (sociaal) verschijnsel in de werkelijkheid.
- Emic-perspectief
- Een situatie of cultuur bekijken vanuit het standpunt van de mensen die er zelf deel van uitmaken: hoe betrokkenen zelf hun ervaringen en gebruiken begrijpen.
- Ontologie
- De overtuiging over wat de werkelijkheid is: één objectieve werkelijkheid of meerdere sociaal geconstrueerde werkelijkheden.
- Epistemologie
- De opvatting over hoe de waarheid gekend kan worden: door objectief te meten of door subjectieve ervaringen en betekenissen te begrijpen.
- Extern doel
- De theoretische of praktische bijdrage die het onderzoek beoogt te leveren.
- Intern doel
- De specifieke kennis die nodig is om het externe doel te bereiken; vormt de basis voor de vraagstelling.
- Analytische generalisatie
- Een casus gedetailleerd vergelijken met bestaande theorie om te zien of en onder welke omstandigheden de theorie opgaat; geen statistische generalisatie naar een populatie. Bij de kwaliteitscriteria hoort het bij externe validiteit; in de aantekeningen over Nair wordt het bij één casus aan interne validiteit gekoppeld.
- Falsificatie
- Het weerleggen van een theorie; hiervoor is één tegenvoorbeeld genoeg, terwijl bevestigen oneindig veel voorbeelden zou vereisen.
- Ex-ante en ex-post evaluatie
- Ex-ante: evaluatie vóór uitvoering om alternatieven te vergelijken. Ex-post: evaluatie na afloop van een interventie.
- Accumulatieve kennisvragen
- Deelvragen die volgen uit de logische opbouw van kennistypen: een deelvraag is van een niveau dat voorafgaat aan het type van de hoofdvraag.
- Handelingsvraag
- Een vraag naar wat iemand moet doen in plaats van naar nieuwe kennis; een goede onderzoeksvraag vermijdt dit.
- Abductie
- Redeneren gericht op nieuwe ideeën vanuit verrassende of onverwachte feiten; combineert theorie vooraf met openheid voor nieuwe bevindingen.
- Grounded Theory Approach
- Onderzoeksstrategie waarin theorie inductief uit data wordt ontwikkeld, met open interviews als primaire methode.
- Actieonderzoek
- Strategie waarin de onderzoeker met betrokkenen werkt aan verandering en tegelijk wetenschappelijke kennis produceert; deelnemers zijn bron én medeanalist.
- Sensitizing concepts
- Begrippen uit de literatuur die bij inductief onderzoek richting geven aan de dataverzameling zonder strakke operationalisatie.
- Boomstructuur
- Deductieve operationalisatie waarin concepten worden opgesplitst in dimensies (en subdimensies) en indicatoren.
- Triangulatie
- Combineren van meerdere bronnen, methoden, onderzoekers of theorieën om bevindingen te controleren en te verdiepen.
- Constructvaliditeit
- De mate waarin een studie meet wat zij zou moeten meten: de kwaliteit van de operationalisatie van relevante concepten.
- Interne validiteit
- De mate waarin je aannemelijk kunt maken dat er echt een oorzakelijk verband is; je verklaringen zijn logisch en onderbouwd.
- Selectiebias
- Vertekening door niet-random selectie van casussen, waardoor de populatie niet representatief wordt weergegeven.
- Single embedded case study
- Eén casus met meerdere sub-units in de analyse; de gelijke context maakt verschillen tussen sub-units beter verklaarbaar.
- Letterlijke herhaling
- Replicatielogica waarbij vergelijkbare cases worden gekozen om te zien of dezelfde uitkomst optreedt; doel is bevestigen.
- Theoretische herhaling
- Replicatielogica waarbij cases verschillen op een theoretisch relevante variabele om verschillen in uitkomst te verklaren.
- Typologie
- Een indeling van verschillende vormen van een sociaal verschijnsel op basis van kenmerken.
- Purposeful sampling
- Doelgerichte, theoriegestuurde selectie van informatieve (niet representatieve) cases, waarbij selectie en analyse parallel lopen.
- Primaire en secundaire documenten
- Primair: origineel afkomstig van de unit of analysis. Secundair: geproduceerd voor andere doeleinden dan het onderzoek.
- Veldrol
- De rol die de observator aanneemt om geloofwaardig en langere tijd in het veld aanwezig te kunnen zijn.
- Focusgroep
- Een groepsinterview.
- Interviewprotocol
- De meest gedetailleerde interviewhandleiding met volledig uitgewerkte vragen en instructies voor introductie, doorvragen en afsluiting.
- Empirische referenties
- Concrete voorbeelden uit de ervaring van de respondent waar de interviewer naar doorvraagt.
- Open coderen
- Eerste stap van inductief coderen: dicht bij de tekst blijven en kernwoorden uit de tekst gebruiken.
- Axiaal coderen
- Tweede stap van inductief coderen (thematisch): thema's en verbanden tussen codes onderscheiden.
- Selectief coderen
- Derde stap van inductief coderen (patrooncodering): patronen identificeren.
- Intercodeurbetrouwbaarheid
- Meerdere onderzoekers coderen hetzelfde materiaal en vergelijken; meer overeenstemming betekent een betrouwbaardere analyse.
- Member check
- Interpretaties voorleggen aan deelnemers om te controleren of zij zich erin herkennen.
- Peer debriefing
- Feedback vragen aan niet-betrokken collega-onderzoekers op een conceptversie van je resultaten.
- Reflexiviteit
- Bewust en continu reflecteren op je eigen rol, aannames, emoties en invloed op het onderzoek.
- Positionality
- Aanvullend kwaliteitscriterium: reflectie op de rol en het perspectief van de onderzoeker.
- Verifieerbaarheid
- Het doel van betrouwbaarheid in kwalitatief onderzoek: navolgbaar en controleerbaar werken, geen exacte reproduceerbaarheid.
- Exploreren
- Het onderzoeken van de werkelijkheid met zo min mogelijk vooroordelen of aannames, met een open blik en door middel van open vragen. Exploreren staat in kwalitatief onderzoek centraal, naast het emic-perspectief.
- Onderzoeksparadigma
- Een manier om naar de waarheid te kijken. Verschillende paradigma's leiden tot verschillende aannames bij wetenschappers die fenomenen bestuderen. Ze verschillen in hun antwoord op de ontologische vraag (wat is de werkelijkheid?) en de epistemologische vraag (hoe kan de waarheid gekend worden?).
- Positivisme
- Wetenschapsfilosofie waarin de werkelijkheid objectief, meetbaar en observeerbaar is en er één realiteit bestaat. De onderzoeker is neutraal en meet van buitenaf. Typisch is verklarend onderzoek dat verwachtingen uit bestaande theorie toetst, vaak gericht op oorzaak-gevolgrelaties.
- Interpretivisme (sociaal-constructivisme)
- Wetenschapsfilosofie waarin de werkelijkheid subjectief is: mensen geven betekenis via sociale constructies als taal, cultuur en ervaringen, dus er zijn meerdere werkelijkheden. De onderzoeker bestudeert ervaringen van mensen in hun context. Typisch is exploratief onderzoek, waarin ook nieuwe theorie kan ontstaan.
- Kritische theorie
- Wetenschapsfilosofie die de sociale werkelijkheid ziet als historische constructie met diepliggende causale structuren die niet altijd direct waarneembaar zijn. Combineert positivisme en interpretivisme, kan verklarend en exploratief zijn en wil onderliggende structuren, mechanismen en machtsrelaties blootleggen.
- Pragmatisme
- Wetenschapsfilosofie waarin de waarde van kennis wordt bepaald door hoe bruikbaar en relevant die in de praktijk is; kennis is een instrument om problemen op te lossen. De vraag objectief of subjectief wordt opzij gezet en de onderzoeker kiest flexibel de methoden die het best passen bij de onderzoeksvraag.
- Doelstelling
- Een hulpmiddel dat beknopt en kernachtig vastlegt welke bijdrage het onderzoek beoogt te leveren en dat de basis legt voor de vraagstelling. Bestaat uit een extern en een intern doel en moet helder, haalbaar, relevant, toegespitst en afgebakend zijn.
- Theoriegericht onderzoek
- Onderzoek met een theoretische doelstelling: het wil vooral bijdragen aan wetenschappelijke kennis over een verschijnsel in organisaties. Algemeen geldige uitspraken staan voorop, toepasbaarheid komt pas daarna. Het redeneren kan deductief, inductief of abductief zijn.
- Deductief redeneren
- Redeneerwijze met theorie als startpunt: vanuit bestaande theorie worden waarnemingen gedaan om die theorie te toetsen of te ontkrachten. In kwalitatief onderzoek gebeurt het toetsen van theorie vooral via falsificatie.
- Inductief redeneren
- Redeneerwijze met waarnemingen als startpunt: door waarnemingen systematisch met elkaar te vergelijken wordt geabstraheerd tot algemeen geldige uitspraken (hypothesen). Deze redeneerwijze is daarmee theorieontwikkelend.
- Building block procedure
- Werkwijze waarbij kwalitatief onderzoek een bouwsteen vormt van een grotere theorie, bijvoorbeeld door de theorie uit te werken of te toetsen voor een specifiek soort organisatie. Het onderzoek draagt zo stap voor stap bij aan een breder theoretisch geheel.
- Praktijkgericht onderzoek
- Onderzoek met een praktische doelstelling: het wil bijdragen aan het veranderen of verbeteren van de praktijk, vaak in opdracht van een organisatie die kennis nodig heeft over de oorzaken van een probleem. Het sluit aan bij een fase van de interventiecyclus; de kwalitatieve onderzoeker richt zich op het genereren van kennis, niet per se op actie.
- Interventiecyclus
- De fasen waarin een organisatie een probleem aanpakt: probleemanalyse, diagnose van de oorzaken, ontwerp van oplossingen (met ex-ante evaluatie), interventie of implementatie en evaluatie (ex-post). Hierop zijn vijf soorten praktijkgericht onderzoek gebaseerd: gericht op probleemanalyse, diagnose, ontwerp, verandering of evaluatie.
- Vraagstelling
- De meest kernachtige weergave van wat je in een onderzoek te weten wilt komen; zet het externe doel om in een intern doel. Moet voldoen aan eisen van vorm (open vraag), content (in lijn met het doel, met duidelijke units of analysis) en type. In kwalitatief onderzoek mag de vraagstelling tijdens het onderzoek worden aangepast.
- Type vraagstelling
- Het soort kennis dat een vraag oplevert: beschrijvend (Wat is ...?), verklarend (Waarom ...? Welke factoren ...?), voorspellend (Wat zijn de verwachte gevolgen van ...?), evaluatief (Wat is de kwaliteit of effectiviteit van ...?) of voorschrijvend (Wat is het meest effectieve beleid om ...?).
- Deelvragen
- Vragen die de centrale vraag opsplitsen in deelstappen en laten zien welke stappen je in het onderzoek zet. Je maakt ze via accumulatieve kennisvragen of door te splitsen in deelonderwerpen (aspecten of dimensies van het onderwerp). Samen geven ze een volledig antwoord op de hoofdvraag, zonder meer informatie dan nodig.
- Pure inductie
- Volgens Nair: het veld ingaan zonder voorafgaande theoretische concepten of hypotheses. Dit is vrijwel onmogelijk en onpraktisch, omdat je altijd enige theoretische noties hebt en bestaande theorie ook nodig is om het onderwerp af te bakenen.
- Pure deductie
- Volgens Nair een te gestructureerde en voorgevormde werkwijze om een theorie uit te breiden of bij te stellen. Wordt er geen bewijs gevonden, dan houdt het onderzoek op en wordt het fenomeen niet volledig uitgezocht.
- Onderzoeksstrategie
- Het gehele plan voor het uitvoeren van het onderzoek (Bleijenbergh). De stof onderscheidt zes strategieën: etnografie, Grounded Theory Approach, actieonderzoek, narratief onderzoek, archiefonderzoek en de casestudy.
- Etnografie
- Onderzoeksstrategie waarin de onderzoeker langere tijd participeert en observeert in de leefwereld van de onderzochte mensen. Werkt inductief vanuit het emic-perspectief en is geschikt om culturen en gedeelde betekenissen te begrijpen. Verschilt van de casestudy door de sterkere nadruk op participerende observatie en de vaak langere duur.
- Narratief onderzoek
- Onderzoeksstrategie die verhalen ophaalt en laat zien hoe mensen via hun levensverhalen hun eigen werkelijkheid creëren. Interviews en gesprekken gelden hier als middelen waarmee mensen de sociale werkelijkheid construeren, terwijl bij GTA wordt geanalyseerd hoe mensen betekenis toekennen aan die werkelijkheid.
- Archiefonderzoek
- Onderzoeksstrategie gericht op het verzamelen en analyseren van documenten, zoals brieven, notities, notulen en e-mails. Deze documenten vormen vaak de basis voor een beschrijving of verklaring van de ontwikkeling van een fenomeen door de tijd.
- Operationalisatie
- Het vertalen van abstracte begrippen naar iets empirisch waarneembaars. Bij een deductieve benadering gebeurt dit vooraf en gedetailleerd in een boomstructuur; bij een inductieve benadering blijft het bij sensitizing concepts; bij een abductieve benadering start je met een structuur die ruimte laat voor onverwachte bevindingen.
- Sociale wenselijkheid
- Vertekening doordat mensen antwoorden geven of gedrag vertonen waarvan zij denken dat het gewenst is. Het is een nadeel van open interviews en participerende observatie, terwijl documenten er weinig last van hebben. In interviews beperk je het door de bedreiging van het ego te minimaliseren.
- Casestudy
- Het bestuderen van één of enkele dragers van een sociaal verschijnsel in de natuurlijke omgeving, gedurende een bepaalde periode en met diverse databronnen, om uitspraken te doen over onderliggende patronen en processen (Bleijenbergh). Kenmerken: weinig casussen, een combinatie van methoden, een lange observatieperiode en een alledaagse setting.
- Enkelvoudige casestudy
- Casestudy naar één drager van een sociaal verschijnsel, vaak idiosyncratisch: gericht op specifieke bijzonderheden en details. Het doel bepaalt de case: bij praktijkgericht onderzoek een best practice of een probleemgerichte case, bij theoriegericht onderzoek een case voor typologieontwikkeling of voor falsificatie.
- Redenen voor een enkelvoudige case (Yin)
- Yin noemt vijf redenen: critical (de case kan een bestaande theorie weerleggen), unusual (de case wijkt af van de normale praktijk), common (de case is representatief voor de gewone praktijk), revelatory (de case geeft toegang tot een normaal moeilijk toegankelijke situatie) en longitudinal (de case wordt lang gevolgd om veranderingen te bestuderen).
- Single holistic case study
- Intensief onderzoek van slechts één unit om het grotere geheel te begrijpen (Nair). Sterk in het verklaren van ontwikkelingen, falsificatie, toegang tot data en het onderzoeken van een onbeperkt aantal variabelen; zwak wat betreft interne validiteit, selectiebias en externe validiteit.
- Inductieprobleem
- Het probleem dat je op basis van waarnemingen nooit een volledig sluitende algemene uitspraak kunt doen: je kunt nooit zeker weten dat alle zwanen wit zijn. Daarom is één tegenvoorbeeld genoeg voor falsificatie en kan soms één casus een theorie weerleggen.
- Externe validiteit
- De mate waarin bevindingen generaliseerbaar zijn buiten de onderzochte casus. Bij een casestudy is statistische generalisatie naar de populatie niet mogelijk; de studie kan wel bijdragen aan analytische of theoretische generalisatie door theorieën te verfijnen, aan te passen of uit te breiden.
- Meervoudige casestudy
- Casestudy waarin meerdere cases strategisch worden geselecteerd en vergeleken om overeenkomsten en verschillen te verklaren. Zo kan de onderzoeker theorieën ontwikkelen, verfijnen of toetsen, bijvoorbeeld via typologieontwikkeling of falsificatie. Bij een comparatieve casestudy worden de casussen expliciet met elkaar vergeleken.
- Method of difference
- Vergelijkingsmethode van John Stuart Mill: je kiest cases die op bijna alle onafhankelijke variabelen gelijk zijn, maar een verschillende uitkomst hebben. De factor die wel verschilt, verklaart waarschijnlijk het verschil in uitkomst. Sluit aan bij theoretische herhaling.
- Method of agreement
- Vergelijkingsmethode van John Stuart Mill: je kiest cases die op vrijwel alle onafhankelijke variabelen verschillen, maar dezelfde uitkomst hebben. De factor die in alle cases terugkomt, verklaart waarschijnlijk de gedeelde uitkomst; factoren die niet overeenkomen zijn waarschijnlijk niet de verklaring.
- Meervoudige holistische casestudy
- Ontwerp waarin meerdere cases als geheel worden vergeleken, op één niveau van analyse: de case. De contexten zijn vergelijkbaar en één theoretisch relevante factor varieert, zodat het ontwerp expliciet de methode van verschil volgt (theoretische herhaling).
- Bronnentriangulatie
- Vorm van triangulatie waarbij je informatie vergelijkt van verschillende respondenten, tijdstippen of contexten. Triangulatie levert hogere validiteit en betrouwbaarheid, minder bias, een rijker begrip en inzicht in het verschil tussen formele en feitelijke praktijk.
- Methodentriangulatie
- Vorm van triangulatie waarbij je meerdere dataverzamelingsmethoden combineert, zoals interviews, participerende observatie en documenten. Bij de casestudy wordt dit ook datatriangulatie genoemd; het combineren van kwalitatieve en kwantitatieve methoden heet mixed-methods triangulatie.
- Onderzoekerstriangulatie
- Vorm van triangulatie waarbij meerdere onderzoekers dezelfde data analyseren. Door de interpretaties van verschillende onderzoekers naast elkaar te leggen, neemt de kans op bias en eenzijdige interpretaties af en nemen validiteit en betrouwbaarheid toe.
- Genres van kwalitatief onderzoek (Bansal et al.)
- Bansal et al. onderscheiden vijf genres: variance-based case studies (oorzaak-gevolgrelaties tussen variabelen), process studies (verandering en dynamiek door de tijd), engaged scholarship (onderzoek en praktijk verbinden), historical studies (historische data en tijdscontext) en discourse studies (taal, betekenis, identiteit en macht).
- Document
- Bestaand materiaal dat in onderzoek gebruikt kan worden, maar niet is vastgelegd met als hoofddoel om voor onderzoek te dienen. Silverman spreekt van woorden en/of beelden die zijn vastgelegd zonder tussenkomst van een onderzoeker; Myers rekent alles wat digitaal op een computer kan worden opgeslagen tot documenten.
- Publieke en private documenten
- Onderscheid naar toegang: publieke documenten zijn vrij toegankelijk voor iedereen, private documenten zijn besloten en gemaakt voor intern of privégebruik. Dit onderscheid staat naast het onderscheid naar herkomst tussen primaire en secundaire documenten.
- Participerende observatie
- Methode waarbij de onderzoeker een sociale situatie van binnenuit de organisatie observeert, beschrijft en interpreteert door er herhaaldelijk en gedurende een bepaalde periode deel van uit te maken (Bleijenbergh). Geeft een meer valide beeld van gedrag, maar levert weinig informatie over het verleden.
- Waarnemingsschema
- Lijst met aandachtspunten bij halfgestructureerde observatie, waarbij je al enig idee hebt van hoe het verschijnsel zich voordoet. Bij een deductieve aanpak zijn de punten afgeleid uit de indicatoren van de centrale begrippen; bij een inductieve, ongestructureerde aanpak geef je aan welk sensitizing concept de observatie focust.
- Onderzoekersrol
- De rol die een observator nodig heeft om valide data over de sociale situatie te verzamelen en te registreren. Deze rol kan open of gesloten en zichtbaar of verborgen zijn. Staat naast de veldrol en de persoonlijke rol, waarin je je eigen persoonlijkheid, normen en gevoelens meeneemt.
- Observatiefocus
- Waar een observatie zich op richt: een actor (één of meer personen, bijvoorbeeld iemand schaduwen binnen de organisatie), een activiteit (een handeling die op verschillende plaatsen en door verschillende personen wordt uitgevoerd) of een specifieke plaats (wat er rond een bepaalde locatie gebeurt).
- Open interview
- Interview binnen kwalitatief onderzoek dat gekenmerkt wordt door de openheid van de vragen, met als doel diepte, detail, nuance en rijkheid van informatie. Voordeel: mensen bespreken ervaringen die ze anders niet zouden verwoorden. Nadelen: kans op sociaal wenselijke antwoorden en beperkte betrouwbaarheid door geheugenbeperkingen.
- Halfgestructureerd interview
- Interview met vooraf vastgestelde vragen als leidraad: niet alle vragen hoeven gebruikt te worden en nieuwe mogen erbij. De interviewer stuurt, wat vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid vergroot, maar er is minder ruimte voor onverwachte, contextspecifieke informatie. Past bij een interviewformat.
- Ongestructureerd interview
- Interview met weinig tot geen vragen vooraf: je start met één open vraag en vervolgvragen ontstaan in het gesprek. Levert hoge constructvaliditeit en rijke persoonlijke informatie, maar lagere betrouwbaarheid omdat elk interview anders verloopt. Vraagt veel vaardigheid van de interviewer en past bij een topic list.
- Topic list (checklist)
- Interviewhandleiding waarin alleen de onderwerpen vastliggen; formulering en volgorde van de vragen zijn open, met hooguit enkele openingsvragen. Hoort bij het ongestructureerde interview. Verschilt van een halfgestructureerde vragenlijst, waarin formulering en volgorde wel vastliggen en alleen de antwoorden open zijn.
- Interviewformat
- Interviewhandleiding waarin de belangrijke vragen zijn uitgewerkt en enkele vervolgvragen zijn genoteerd; past bij het halfgestructureerde interview. Met een format of checklist is de betrouwbaarheid meestal lager dan met een protocol, maar de validiteit kan hoger zijn door meer ruimte om door te vragen.
- Motiverende vragen
- Vragen die ervoor zorgen dat de respondent zich veilig voelt, door de bedreiging van het ego te minimaliseren (tegen sociale wenselijkheid), vergeten te minimaliseren (herinnering ondersteunen), empathie te maximaliseren (emoties herkennen en benoemen) en erkenning te maximaliseren (de kennis van de respondent erkennen).
- Doorvragen
- Technieken om tijdens een interview meer informatie te krijgen. Non-verbaal: aankijken, knikken, hoofd schuin houden, wenkbrauwen optrekken. Verbaal: bevestigen, letterlijk herhalen en stil zijn, neutraal doorvragen, samenvatten en terugleggen, de vraag preciezer stellen en vragen naar empirische referenties.
- Minder wenselijke interviewerrollen
- Rollen die de interviewer beter vermijdt: vertegenwoordiger (gezien als verlengstuk van de opdrachtgever, waardoor de respondent zich afsluit), spreekbuis (de respondent wil via jou een politieke boodschap uitdragen), maatschappelijk werker (te veel psychosociale steun) en bondgenoot (de respondent zoekt goedkeuring en wil je aan zijn kant).
- Reflection when doing
- Reflecteren tijdens het interview: op je gevoel vertrouwen, benoemen wat je voelt en later reflecteren. Dit geeft beter inzicht in wat je meet (validiteit), meer diepgang en een respondent die zich beter begrepen voelt. Daartegenover staat reflection when analyzing: na het interview rustig op het proces reflecteren.
- Kwalitatieve inhoudsanalyse
- Proces waarin bestaande of zelfgeproduceerde teksten vanuit een empirische vraagstelling worden geïnterpreteerd, door ze in meerdere fasen te labelen met begrippen en er betekenis aan te geven (Bleijenbergh et al.). Het proces is creatief en systematisch tegelijk en kan leiden tot theorieontwikkeling.
- Basisprincipes van kwalitatieve analyse
- Drie principes: reduceren (bewust de relevante data selecteren), uiteenrafelen en ordenen (teksten opdelen in fragmenten en die in categorieën onderbrengen) en combineren en vergelijken (fragmenten binnen een categorie vergelijken om patronen en relaties te vinden).
- Deductief coderen
- Coderen met codes die vooraf zijn opgesteld op basis van theorie en eerdere studies: concepten, dimensies en indicatoren. De codeboom is geordend in concepten of categorieën, dimensies en indicatoren en groeit van abstract naar concreet. Doel is het toetsen van theorie.
- Computergestuurd coderen
- Coderen waarbij de onderzoeker de codes toekent en de computer systematisch sorteert. Voordeel: werken volgens een vast coderingsformat, waardoor de analyse beter repliceerbaar is. Nadeel: het kost tijd om het programma te leren. Handmatig coderen is makkelijker te starten, maar arbeidsintensief.
- Memo
- Gedetailleerde vastlegging van gebeurtenissen, ervaringen en gedachten tijdens het onderzoek, die helpt bij de analyse. Soorten: observatiememo, theoretische memo (theorie of patronen), methodologische memo (methodologische keuzes), analytische memo (patronen en thema's) en reflectieve memo (wat er met jezelf gebeurt).
- Observatiememo
- Uitgebreide, gedetailleerde beschrijving van zintuiglijke waarnemingen tijdens de dataverzameling. Wordt zo feitelijk mogelijk genoteerd, zonder interpretaties, en eventueel binnen 24 uur uitgewerkt.
- Reflectieve memo
- Memo met aantekeningen over wat er met jezelf gebeurt tijdens het onderzoek. Het is een middel voor zelfreflectie vóór en tijdens het onderzoek: je legt verantwoording af over je persoonlijke betrokkenheid en vergroot zo de controleerbaarheid.
- Kwaliteitsprocedures
- Procedures die de geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en transparantie van kwalitatief onderzoek vergroten: triangulatie, intercodeurbetrouwbaarheid, peer debriefing, member check of intersubjectiviteit en reflexiviteit. Elke procedure past bij bepaalde epistemologische stromingen.
- Theoretische triangulatie
- Vorm van triangulatie waarbij je bevindingen door verschillende theoretische brillen bekijkt. Net als andere vormen van triangulatie bedoeld om de geloofwaardigheid te versterken, eenzijdige interpretaties te verminderen en een completer beeld te krijgen.
- Intersubjectiviteit
- Deelnemers actief betrekken bij de interpretatie, vanuit het idee dat kennis in interactie ontstaat. Gaat verder dan een member check, waarbij interpretaties alleen aan deelnemers worden voorgelegd. Past bij interpretatieve en kritische benaderingen, niet bij het positivisme.
- Persoonlijke en epistemologische reflexiviteit
- Twee vormen van reflexiviteit. Persoonlijke reflexiviteit gaat over je eigen betrokkenheid en invloed op het onderzoek; epistemologische reflexiviteit gaat over het erkennen van de beperkingen van je perspectief. Doel is transparantie, eerlijkheid en een betere beoordeling van de kwaliteit.
- Kritisch realisme
- Epistemologisch perspectief waarin de werkelijkheid bestaat, maar altijd wordt geïnterpreteerd. Kwaliteit betekent hier epistemologische reflectie, relevantie en bruikbaarheid, tegenover interne validiteit en generaliseerbaarheid in het positivisme en zelfreflectie en overdraagbaarheid in het interpretivisme.
- Dekoloniseren van onderzoek
- Volgens Thambinathan en Kinsella: kwalitatief onderzoek, vooral onder historisch gemarginaliseerde groepen, zo inrichten dat niet-westerse perspectieven centraal staan en koloniale machtsverhoudingen actief worden doorbroken. Kernpraktijken: kritische reflexiviteit, wederkerigheid en zelfbeschikking, andere manieren van weten omarmen en transformationele praxis.
- Wederkerigheid en zelfbeschikking
- Kernpraktijk van dekoloniserend onderzoek: gemeenschappen hebben zeggenschap over het proces, de analyse en de verspreiding van het onderzoek. Onderzoekers geven geen stem, maar luisteren, omdat deze groepen al een stem hebben. Dit gaat in tegen extractief onderzoek dat haalt zonder terug te geven.
- Epistemologisch ongemak
- Het ongemak dat vooral studenten met een positivistische achtergrond ervaren bij kwalitatief onderzoek (Cassell): het proces voelt complex, onzeker en rommelig, ze missen controle en twijfelen aan objectiviteit. Tegelijk leren ze dat openheid en flexibiliteit essentieel zijn en dat er niet één juiste procedure is.
- Conclusie
- Deel van het rapport dat de onderzoeksvraag beantwoordt op basis van de analyse: eerst de deelvragen, daarna verbonden tot een antwoord op de hoofdvraag. Integreert de resultaten zonder de analyse te herhalen; kort, in eigen woorden en met reikwijdte en beperkingen, maar zonder citaten, literatuur of theoretische interpretatie.
- Praktijkaanbevelingen
- Aanbevelingen aan de organisatie, die alleen horen bij praktijkgericht onderzoek. Ze zijn direct gebaseerd op de bevindingen, gaan niet verder dan de data toestaan, zijn concreet en beknopt en hebben een duidelijk verband met een resultaat.
- Theoretische reflectie
- Deel van de discussie over wat de bevindingen betekenen voor bestaande theorie. Bij inductief onderzoek gaat het om nieuwe concepten of (deel)theorieën, bij deductief onderzoek om het bevestigen, nuanceren of weerleggen van theorie.
- Onderzoeksreflectie
- Deel van de discussie waarin je reflecteert op je rol als onderzoeker en je invloed op het proces, zoals je positie, achtergrond, verwachtingen en interpretaties. Dit versterkt transparantie, geloofwaardigheid en interne validiteit en is een toepassing van reflexiviteit.
- Methodologische reflectie
- Deel van de discussie waarin je de kwaliteit van het onderzoek beoordeelt aan de hand van criteria: algemene (coherentie, consistentie, transparantie), klassieke (constructvaliditeit, interne en externe validiteit, betrouwbaarheid) en aanvullende interpretatieve en kritische criteria (bruikbaarheid, overtuigingskracht, positionality).
- Aanbevelingen voor vervolgonderzoek
- Aanbevelingen gericht op de wetenschap: je plaatst je onderzoek in een bredere kennisontwikkeling, benoemt wat je niet hebt kunnen onderzoeken en geeft aan voor wie vervolgonderzoek relevant is. Het doel is een agenda voor toekomstig onderzoek, anders dan praktijkaanbevelingen die op de organisatie gericht zijn.