Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Inleiding Verantwoordelijke Organisatie

Profession (professie)
Volgens Laasch een gespecialiseerd beroep in dienst van de samenleving en de wereld, zoals de medische of juridische professie.
Professioneel management
Managementpraktijk uitgevoerd met professioneel gedrag en gericht op doelen die samenleving en wereld dienen; managen op een ethische, verantwoordelijke en duurzame manier.
Managementpraktijken
Activiteiten die managers gewoonlijk uitvoeren, zoals werven, budgetteren of marketing; ze kunnen de wereld verbeteren of schaden.
Management innovation
Uitvinding en invoering van een managementpraktijk die breekt met wat normaal is, zoals Arkwrights fabrieksproductie of Patagonia's demarketing.
Old-world management
Onprofessionele managementpraktijken die de grote problemen van de wereld negeren of eraan bijdragen, bijvoorbeeld shareholder-value management en beoordeling op kwartaalcijfers.
Transition-world management
De huidige fase waarin professionele praktijken worden vernieuwd om wereldproblemen aan te pakken, vaak in conflict met nog dominante old-world praktijken.
New-world management
Toekomstbeeld waarin management de old-world praktijken heeft verdrongen en een professie is geworden in dienst van een stabiliserende wereld.
Planetaire grenzen
Negen ecologische drempels die, als ze overschreden worden, het voortbestaan van de mensheid op aarde bedreigen, zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.
Sustainable Development Goals (SDG's)
Zeventien doelen van de Verenigde Naties voor de sociale, ecologische en economische problemen van de mensheid, te halen voor 2030.
Greenwashing
Een misleidende indruk wekken van de sociale, ecologische of ethische prestaties van een product of bedrijf; de talk komt dan niet overeen met de walk.
Friedman-argument
Het argument (Milton Friedman) dat de enige verantwoordelijkheid van managers is winst te maken voor de aandeelhouders; een belangrijke remmer van professioneel management.
Institutioneel werk
Werk om het 'normale' te veranderen, in stand te houden of een nieuwe norm te creëren, bijvoorbeeld lobbyen of het opbouwen van een managementprofessie.
Management
Het gedaan krijgen van dingen met mensen en middelen, in bedrijven maar ook in ngo's, overheid of een studieproject.
Management uitvoeren (practicing management)
Samenwerken met mensen en middelen om op een effectieve en efficiënte manier prestaties te bereiken in lijn met vooraf vastgestelde doelen.
Effectiviteit
De mate waarin het managementproces bijdraagt aan de vooraf gestelde doelen: de goede dingen doen.
Efficiëntie
De verhouding tussen de ingezette middelen en het managementresultaat: de dingen goed doen, met zo weinig mogelijk middelen.
Materials
De 'spullen' in een praktijk: fysieke zaken zoals tablets en vliegtuigen, maar ook managementtools zoals KPI's en scorecards.
Meanings
Waarden, oordelen, ideeën, ambities en logica's die betekenis geven aan een praktijk en haar vormen.
Competences
De vermogens van een beoefenaar die nodig zijn om een praktijk succesvol uit te voeren.
Professional management six-pack
Zes competentiedomeinen van de professionele manager: know, think, act, interact, be en become.
Modes of management
Onderscheiden, overlappende bundels praktijken, elk met een eigen object, zoals organizing, deciding, strategizing en entrepreneuring.
Academische onpartijdigheid
Het nastreven en presenteren van de waarheid zonder een politiek of moreel standpunt te promoten.
Ethiek
Het systematisch beschouwen van goed en fout aan de hand van bepaalde principes.
Moraal (morality)
De normen, waarden en overtuigingen over goed en fout van een specifiek individu, groep of cultuur.
Ethisch probleem
Een kwestie die draait om goede of foute beslissingen en gedrag, vaak een conflict tussen morele normen en externe gedragscodes of regels.
Moreel dilemma
Situatie waarin goed of kwaad ter discussie staat door alternatieve handelingen met aanzienlijke effecten op jezelf en anderen; er zijn tegenstrijdige morele keuzes en het antwoord is niet vanzelfsprekend.
Genuine dilemma
Ethisch probleem waarbij men gemotiveerd is het goede te doen maar niet weet wat dat is; taak is het besluitvormingsproces te ondersteunen.
Compliance problem
Ethisch probleem waarbij duidelijk is wat goed is maar mensen zich er niet aan houden; taak is begrijpen waarom en ethische instrumenten inzetten.
Normatieve ethiek
Domein van bedrijfsethiek dat op basis van moraalfilosofie beoordeelt wat goed of fout is.
Descriptieve ethiek
Domein dat op basis van gedragspsychologie beschrijft, verklaart en voorspelt waarom mensen ethisch of onethisch handelen.
Ethics management
Domein en proces waarin managementinstrumenten worden ingezet om ethische waardecreatie en moreel excellent gedrag te bevorderen.
Consequentialisme
Ethische theorie die goed en fout beoordeelt op basis van de gevolgen van een handeling; ook teleologische ethiek genoemd.
Utilitarisme
Vorm van consequentialisme (Bentham, Mill): de juiste handeling geeft het grootste geluk voor het grootste aantal betrokkenen.
Deontologie
Ethische theorie die goed en fout beoordeelt aan de hand van plichten die voortkomen uit universele regels en hogere principes, los van de uitkomst.
Categorische imperatief
Kants toets voor moreel handelen: handel zo dat je wilt dat je handeling een universele wet wordt; aangevuld met niet-instrumentalisering en het rijk der doelen.
Deugdethiek
Ethische theorie die een beslissing goed noemt als ze voortkomt uit een deugdzaam karakter en motief; gebaseerd op Aristoteles.
Stakeholder
Individu, groep of entiteit die invloed heeft op of beïnvloed wordt door de activiteiten van een organisatie; een aandeelhouder is één type stakeholder.
Verantwoordelijk management
Management dat vrijwillig verantwoordelijkheid neemt voor zijn impact op stakeholders, met als doel het harmoniseren van stakeholderwaarde.
Piramide van Carroll
Vier categorieën verantwoordelijkheid die op elkaar voortbouwen: economisch, juridisch, ethisch en discretionair (filantropisch).
RDAP-schaal
Vier niveaus van stakeholder responsiveness: reactief (ontkennen), defensief (erkennen maar ontlopen), accommoderend (accepteren en handelen), proactief (vooruitlopen op claims).
Stakeholdermanagement
Het managen van relaties met alle groepen die een activiteit beïnvloeden of erdoor beïnvloed worden, gericht op waardecreatie voor stakeholders.
Stakeholderwaarde
De mate van tevredenheid van één of alle stakeholders van een activiteit, zoals klanttevredenheid of werknemerswelzijn.
Shared value
Waarde die tegelijk voor interne stakeholders (bedrijf) en externe stakeholders (samenleving) wordt gecreëerd.
Stakeholder assessment
Het proces van het begrijpen van stakeholders en hun relatie tot een specifieke activiteit, bestaande uit identificatie en prioritering.
Stakeholder engagement
De praktijk van interactie met stakeholders: communicatie met stakeholders en co-creatie van gezamenlijke activiteiten.
Primaire stakeholder
Stakeholder met een directe band met het bedrijf via wet, ruil of fysieke nabijheid, zoals klanten, directe leveranciers en de lokale gemeenschap.
Secundaire stakeholder
Stakeholder zonder directe band, indirect verbonden via primaire stakeholders, zoals pers, ngo's en leveranciers van leveranciers.
Salience-model (PUL)
Model van Mitchell, Agle en Wood dat stakeholders prioriteert op macht (power), urgentie (urgency) en legitimiteit (legitimacy).
Definitive stakeholder
Stakeholder met macht, legitimiteit én urgentie; de hoogste prioriteit in het salience-model.
Materialiteit
Het gedeelde belang van een specifiek onderwerp voor zowel het bedrijf als de stakeholders.
Duurzame ontwikkeling
Ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen (Brundtland).
Duurzaam management
Management dat sociaal, ecologisch en economisch kapitaal op korte, middellange en lange termijn in stand houdt en in balans brengt.
Sociaal kapitaal
Waarde belichaamd in mensen en hun relaties: menselijk kapitaal zoals kennis, vaardigheden en gezondheid, plus collectieve waarden, cultuur en welvaart.
Natuurlijk kapitaal
Hernieuwbare en niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, inclusief niet-materiële diensten zoals bestuiving en recreatiewaarde; ook ecologisch of milieukapitaal genoemd.
Economisch kapitaal
Waarde uit materiële activa (machines), immateriële activa (merkwaarde, klantentrouw) en financiële middelen (kasstromen).
Triple bottom line
De gecombineerde sociale, ecologische en economische waarde of impact van een activiteit; People, Planet, Profit (Elkington).
Herstellend (restorative) management
Management met een netto positieve triple bottom line dat minstens één kapitaal aanvult zonder een ander uit te putten.
Footprint
De optelsom van één of meer soorten ecologische, sociale of economische impact voor een bepaalde eenheid, zoals CO2 per product.
Doughnut-model
Model met een sociaal fundament van minimale menselijke behoeften en een ecologisch plafond; daartussen ligt de veilige en rechtvaardige ruimte.
Levenscyclusmodel
Model dat de fasen van een product volgt: grondstoffen (source), maken (create), gebruik (use), en daarna hergebruik, recycling of afdanken.
Life-cycle assessment (LCA)
Het in kaart brengen van ecologische, sociale en economische impact in alle fasen van productie, gebruik en einde levensduur van een product.
Organiseren
Subdelen zoals middelen, taken en activiteiten zo rangschikken dat ze een geheel vormen voor verenigde actie.
Organisatie
Een sociale structuur die is gebouwd om waarde te creëren in overeenstemming met haar doel en waarden.
Professioneel organiseren
Ethisch, verantwoord en duurzaam organiseren én organisaties vormgeven die samenleving en planeet dienen.
Decluttering
Overbodige zaken (materieel, digitaal, mentaal of relationeel) wegdoen en wat je houdt zo organiseren dat het goed bruikbaar is.
Delineating
Afbakenen wat je wel en niet doet en hoe je je eigen tijd en die van anderen gebruikt.
Delivering
De goede dingen goed en op tijd opleveren, in balans tussen net goed genoeg en perfectionisme.
Eisenhower-matrix
Matrix van urgentie en belang: urgent en belangrijk doe je nu, belangrijk maar niet urgent plan je, urgent maar onbelangrijk delegeer je, de rest schrap je.
Formele en informele structuur
De formele (harde) structuur is het officiële organogram; de informele (zachte) structuur is het werkelijke netwerk van relaties en invloed.
Mechanistisch organiseren
Top-down, gecentraliseerde en gestandaardiseerde structuren met vaste rollen, gericht op efficiëntie.
Organisch organiseren
Bottom-up, gedecentraliseerde en aanpasbare dynamiek met flexibele rollen en een platte hiërarchie.
Organisatiecultuur
De gedeelde waarden, houdingen en overtuigingen die ten grondslag liggen aan beslissingen en handelingen in een organisatie; het DNA.
Strategie
Een geïntegreerd en gecoördineerd geheel van verbintenissen en acties gericht op het bereiken van een doel.
Professionele strategie
Integratie van sociaal-ecologische factoren in het kernproces van strategievorming om sociale, ecologische en economische waarde te creëren.
Concurrentievoordeel
Een voordeel ten opzichte van concurrenten, uitgedrukt in bovengemiddelde economische waarde voor de onderneming.
Verantwoord concurrentievoordeel
Een voordeel ten opzichte van concurrenten, uitgedrukt in bovengemiddelde waardecreatie voor een bredere groep stakeholders.
PESTLE
Analyse van de macro-omgeving op politieke, economische, sociale, technologische, juridische en ecologische factoren.
Porters vijf krachten
Model voor de aantrekkelijkheid van een bedrijfstak: rivaliteit, macht van leveranciers, macht van afnemers, dreiging van toetreders en dreiging van substituten.
Waardeketen
Beschrijving van alle activiteiten van een bedrijf, verdeeld in primaire activiteiten (logistiek, operaties, marketing, service) en ondersteunende activiteiten (infrastructuur, HRM, R&D, inkoop).
VRIO
Toets of een middel concurrentievoordeel oplevert: waardevol (valuable), zeldzaam (rare), moeilijk te imiteren (inimitable) en ondersteund door de organisatie; VRIN gebruikt niet-substitueerbaar als vierde criterium.
SWOT-analyse
Samenvatting van interne sterktes en zwaktes en externe kansen en bedreigingen.
Diversificatie
Uitbreiding van het aantal bedrijfseenheden en markten; gerelateerd als de nieuwe activiteit nauw aansluit bij de bestaande, ongerelateerd als dat niet zo is.
BCG-matrix
Portfolio-instrument op basis van marktgroei en relatief marktaandeel met vier typen: star, question mark, cash cow en dog.
Porters generieke strategieën
Vier strategieën op basis van bron van voordeel (kosten of differentiatie) en reikwijdte (breed of smal): kostenleiderschap, differentiatie, kostenfocus, differentiatiefocus.
Businessmodel
De unieke formule van waardepropositie, waardecreatie, waarde-uitwisseling en waardevangst van een organisatie.
Innovatie
Het creëren, gebruiken en verspreiden van noviteiten.
Noviteit (novelty)
Iets dat tot nu toe onbekend was.
Professionele innovatie
Effectief, verantwoord en in dienst van samenleving en planeet innoveren.
Ambidexteriteit
Het vermogen om tegelijk te exploreren (nieuwe noviteiten zoeken en ontwikkelen) en te exploiteren (bestaande noviteiten benutten voor waarde).
Exploratie
Praktijken gericht op het zoeken naar noviteiten en het ontwikkelen van innovaties; gericht op groei, flexibiliteit en doorbraken.
Exploitatie
Praktijken gericht op het gebruiken van een noviteit en er waarde mee genereren; gericht op efficiëntie, kosten en incrementele verbetering.
Open innovatie
Verspreid innovatieproces met kennisstromen over organisatiegrenzen heen, zowel naar binnen als naar buiten.
Chasm
De kloof in de adoptiecurve tussen de visionaire early adopters en de pragmatische early majority.
Productinnovatie
De introductie van een product of dienst die nieuw is of sterk verbeterd wat betreft kenmerken of beoogd gebruik.
Procesinnovatie
De invoering van een nieuw of sterk verbeterd productieproces of een nieuwe leveringsmethode.
Marketinginnovatie
Een nieuwe marketingmethode met grote veranderingen in ontwerp, verpakking, plaatsing, promotie of prijs.
Organisatorische innovatie
Een nieuwe organisatiemethode die verandert hoe mensen samenwerken, intern of met externe partners.
Sociale innovatie
Een innovatie die een sociale behoefte, kwestie of kans aanpakt via een nieuwe praktijk of institutie.
Ondernemerschap (entrepreneuring)
De ondernemingspraktijk waarbij waarde wordt gecreëerd door middelen en een kans samen te brengen.
Professioneel ondernemen
De behoeften van de samenleving effectief omzetten in waarde, met professioneel (ethisch, verantwoord en duurzaam) gedrag.
Entrepreneurial manager
Een beoefenaar met zowel management- als ondernemerscompetentie, die kansen omzet in waarde en tegelijk middelen beheert.
Causation
Denklogica waarbij je uit gegeven middelen kiest om een vooraf bepaald doel te bereiken.
Effectuation
Denklogica waarbij je met de middelen die je hebt nieuwe mogelijke doelen bedenkt.
Bricolage
Denklogica waarbij je roeit met de riemen die je hebt: beschikbare, niet-ideale middelen op een nieuwe manier combineren om waarde te creëren.
Intrapreneurship
Leden van een bestaande organisatie die kansen grijpen om de organisatie van binnenuit te veranderen of er nieuwe externe kansen mee te benutten.
Institutioneel ondernemerschap
Ondernemen om vanzelfsprekende, geïnstitutionaliseerde praktijken te creëren of te veranderen.
Sociaal-commercieel spectrum
Reeks van traditionele non-profit, inkomstengenererende non-profit, sociale onderneming, verantwoord bedrijf, onderneming met verantwoordelijkheid tot traditionele for-profit.
Model van Timmons
Model van het ondernemersproces waarin de oprichter kans, middelen en team in balans brengt via communicatie, creativiteit en leiderschap.
Besluitvorming
De managementmode gericht op het identificeren van alternatieven en het kiezen daartussen.
Bounded rationality
Begrensde rationaliteit (Herbert Simon): het onvermogen ooit volledig rationeel te zijn door beperkte informatie, beperkte cognitieve mogelijkheden en tijdsdruk.
Satisficing
Een beslissing nemen die goed genoeg is in plaats van de optimale, met behulp van vuistregels en minimumcriteria.
Geprogrammeerde beslissing
Vaak voorkomende, gestructureerde beslissing die met een standaardprocedure wordt genomen.
Ongeprogrammeerde beslissing
Eenmalige, ongestructureerde beslissing die een echte keuze tussen alternatieven vraagt.
Logic of appropriateness
Beslissen op basis van wat gepast is voor iemand zoals jij in een situatie als deze, in plaats van op basis van gevolgen.
Rationele besluitvorming
Objectief beslissen op basis van een systematische analyse van feiten en het kiezen van de optie met de hoogste verwachte waarde.
Intuïtieve besluitvorming
Beslissen op basis van direct weten, zonder bewust te redeneren.
Creatieve besluitvorming
Nieuwe, originele en waardevolle antwoorden en opties genereren.
Relationele besluitvorming
Collectief beslissen waarbij een groep samen informatie verzamelt, meerdere waarderingssystemen gebruikt en een optie kiest.
Groepsdenken (groupthink)
Het verschijnsel dat hechte groepen eensgezindheid boven kritiek stellen en daardoor slechtere beslissingen nemen.
Communiceren
De uitwisseling van informatie door middel van berichten.
Effectieve communicatie
Communicatie waarbij de boodschap correct overkomt of die de werkelijkheid beïnvloedt.
Professionele communicatie
Bekwame communicatie om op een ethische, verantwoorde en duurzame manier een positieve maatschappelijke rol te vervullen.
Frame
Een mentaal schema of lens waardoor mensen sociale situaties waarnemen en die betekenis geeft aan acties en gebeurtenissen (Goffman).
Twalking
De onlosmakelijke samenhang tussen praten (talk) en doen (walk).
Decoupling
Het loskoppelen van wat een organisatie zegt en wat zij doet, zoals bij een leugen of greenwashing.
Stakeholder information strategy
Eenrichtingscommunicatie waarbij het bedrijf vertelt maar niet luistert.
Stakeholder response strategy
Tweerichtingscommunicatie waarbij het bedrijf luistert naar feedback en zijn activiteiten aanpast.
Stakeholder involvement strategy
Dialoog waarin stakeholders bestaande activiteiten actief mee vormgeven.
Stakeholder co-creation strategy
Strategie waarbij het bedrijf openstaat voor ideeën van stakeholders en samen met hen nieuwe acties realiseert.
Leiderschap
Het aansturen van een groep mensen of een organisatie; in het boek: volgers richting geven, beïnvloeden en in staat stellen een doel te bereiken.
Folleading
De onlosmakelijke praktijken van leiden en volgen bij het nastreven van een gemeenschappelijk doel.
Professioneel folleading
Effectief volgen en leiden richting een doel dat samenleving en planeet dient, met ethisch, verantwoord en duurzaam gedrag.
Effectieve volger
Volger die actief en kritisch is: moedig, eerlijk en geloofwaardig, met zelfmanagement en toewijding aan een gemeenschappelijk doel.
Sheeple
Passieve, onkritische volgers die precies doen wat gevraagd wordt en geen initiatief tonen.
Yes people
Actieve maar onkritische volgers die het steeds met de leider eens zijn.
Alienated followers
Kritische maar passieve volgers die cynisch en ontevreden zijn geraakt.
Situationeel leiderschap
Benadering waarin leiders de mate van taaksturing en ondersteuning aanpassen aan het ontwikkelingsniveau van hun volgers (Hersey en Blanchard).
Transformationeel leiderschap
Leiderschap dat houdingen, motivatie en overtuigingen van volgers verandert via visie, inspiratie en emotionele verbinding.
Transactioneel leiderschap
Leiderschap dat eisen, rollen en verantwoordelijkheden duidelijk maakt en naleving beloont of bestraft.
International business
Commerciële transacties tussen twee of meer landen, zoals handel in goederen, diensten, kapitaal, technologie en kennis over landsgrenzen heen.
Globalisering
Het toenemende belang van wereldwijde normen, relaties en stromen; de integratie van economieën wereldwijd.
Glocalization
Mondiale activiteiten met een sterke aanpassing aan lokale omstandigheden, en lokale activiteiten die aansluiten bij mondiale omstandigheden.
Global-sourcing company
Bedrijf dat vooral in één land actief is maar wereldwijd inkoopt en daarom zijn buitenlandse leveranciers moet controleren.
Multinational firm
Bedrijf dat de nadruk legt op lokale responsiviteit en onafhankelijk lokaal management per land.
Global company
Bedrijf dat de wereld ziet als één markt met gecentraliseerde productie in enkele efficiënte fabrieken.
Transnational firm
Bedrijf dat mondiale efficiëntie combineert met lokale responsiviteit en mondiale en lokale kwesties even zwaar weegt.
Foreign Direct Investment (FDI)
(Gedeeltelijk) eigendom van en zeggenschap over een buitenlandse onderneming, waarbij activa naar het buitenland worden overgebracht.
Hofstedes culturele dimensies
Zes dimensies van nationale cultuur: individualisme, machtsafstand, onzekerheidsvermijding, masculiniteit, langetermijngerichtheid en toegeeflijkheid.