Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Economie voor Bedrijfskunde

Het economische probleem
De drie vragen die elke samenleving moet beantwoorden: wat (en hoeveel) wordt er geproduceerd, hoe, en wie krijgt het? In een markteconomie beantwoorden prijzen die vragen grotendeels.
Welvaart (productiviteit)
De verhouding tussen de gecreëerde waarde en de kosten van de gebruikte resources. Economische groei is productiviteitsgroei.
Prikkels
Beloningen en kosten die gedrag sturen. Volgens het college de fundamentele oorzaak van productiviteitsgroei, mogelijk gemaakt door instituties zoals eigendomsrechten.
Opportunity costs (opofferingskosten)
De netto waarde van de beste alternatieve keuze: waarde van keuze 2 min de expliciete kosten van keuze 2. Dit vak volgt deze definitie uit The Economy.
Expliciete kosten
Wat een keuze in geld kost. Wat je door een keuze niet meer kunt terugkrijgen (zoals een doorverkoopprijs) telt ook als expliciete kosten.
Economische kosten
Expliciete plus impliciete kosten van een keuze.
Economic rent
Waarde van een keuze min de economische kosten. Een positieve economic rent betekent dat de keuze de juiste is.
Sunk costs (gezonken kosten)
Kosten die niet meer kunnen worden teruggedraaid. Ze horen niet mee te tellen in een beslissing.
Marginale opbrengst (MO)
De extra opbrengst van één extra eenheid. Voor een prijsnemer gelijk aan de prijs.
Marginale kosten (MK)
De extra kosten van één extra eenheid; het verschil tussen twee opeenvolgende totale kosten.
Marginale analyse
Bepalen van de optimale hoeveelheid door MO en MK te vergelijken: doorgaan zolang MO ≥ MK, het optimum ligt bij MO = MK.
Onbedoelde gevolgen (unintended consequences)
Effecten van prikkels die anders uitpakken dan bedoeld, zoals het cobra-effect of de boete bij de Israëlische kinderopvang.
Bounded rationality
Beperkte rationaliteit: mensen willen rationeel kiezen, maar kunnen niet alle informatie overzien en verwerken.
Bbp (GDP)
Bruto binnenlands product: de optelsom van alle productie en dus alle inkomens in een land in een periode. Economische groei is groei van het bbp per hoofd.
Brede welvaart
Een bredere opvatting van welvaart dan het bbp, die ook zaken als gezondheid, vrije tijd en vrijheid meeneemt.
Specialisatie
Je toeleggen op datgene waarin je de laagste opportunity costs hebt. Verhoogt de gemiddelde productiviteit, maar vraagt handel.
Absoluut voordeel
Met dezelfde middelen meer van een product kunnen maken dan een ander.
Comparatief voordeel
De laagste opportunity costs hebben voor een product. Een land heeft in hoogstens één van twee goederen een comparatief voordeel.
Ruilvoet (terms of trade)
De relatieve prijs waartegen partijen ruilen. Voordelig voor beide als die tussen hun interne opportunity costs ligt.
Perfecte concurrentie
Een markt met veel kopers en verkopers, homogene goederen, vrije toe- en uittreding en perfecte informatie, waardoor iedereen prijsnemer is.
Conspicuous consumption
Consumptie om te laten zien dat je iets kunt betalen; de waarde zit in het signaal aan anderen.
Willingness to pay
De maximale prijs die een koper voor een eenheid wil betalen: zijn verwachte marginale opbrengst. De vraaglijn is de optelsom ervan.
Willingness to accept
De minimale prijs waarvoor een verkoper een eenheid wil leveren: zijn marginale kosten. De aanbodlijn is de optelsom ervan.
Substitutiegoed
Een goed dat een ander kan vervangen. Stijgt de prijs van het substituut, dan stijgt de vraag naar het andere goed.
Complementair goed
Een goed dat samen met een ander wordt gebruikt. Daalt de prijs van het ene, dan stijgt de vraag naar het andere.
Prijselasticiteit van de vraag
De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele verandering van de prijs. Elastisch bij |E| > 1, inelastisch bij |E| < 1.
Marktevenwicht
Het snijpunt van vraag en aanbod. Daar is de totale welvaart maximaal omdat precies alle ruil plaatsvindt waarbij de waarde boven de kosten ligt.
Consumentensurplus
Het verschil tussen wat kopers bereid zijn te betalen en de prijs die ze betalen; het vlak onder de vraaglijn en boven de prijs.
Producentensurplus
Het verschil tussen de ontvangen prijs en de minimale prijs waarvoor verkopers willen leveren; het vlak boven de aanbodlijn en onder de prijs.
Deadweight loss (Harberger-driehoek)
Het welvaartsverlies doordat de markt haar natuurlijke evenwicht niet bereikt, meestal doordat er minder of meer wordt verhandeld dan optimaal.
Prijsplafond
Een wettelijke maximumprijs. Onder de evenwichtsprijs leidt die tot een tekort en een deadweight loss (bijvoorbeeld huurregulering).
Prijsvloer
Een wettelijke minimumprijs. Boven de evenwichtsprijs leidt die tot een overschot; op de arbeidsmarkt is dat werkloosheid (minimumloon).
Afwenteling van belasting
Het deel van een belasting dat via een hogere prijs bij consumenten terechtkomt. De minst elastische kant draagt het meeste.
Subsidie
Een bijdrage per stuk van de overheid. In een verder perfecte markt maakt die de markt groter dan optimaal en ontstaat een deadweight loss.
Marktfalen
Elke situatie waarin de vrije markt niet tot de optimale allocatie leidt, bijvoorbeeld door publieke goederen, externe effecten of asymmetrische informatie.
Publiek goed
Niet uitsluitbaar en niet rivaliserend, zoals defensie, dijken en fundamenteel onderzoek. De markt levert er te weinig van.
Common good
Niet uitsluitbaar maar wel rivaliserend, zoals visgronden en drukke wegen. Leidt tot overbenutting.
Free-rider probleem
Iedereen heeft een prikkel om mee te liften op een goed zonder ervoor te betalen, waardoor het niet of onvoldoende wordt geleverd.
Tragedy of the commons
Overbenutting van een common good doordat ieder individu rationeel te veel gebruikt; onderzocht door Elinor Ostrom.
Externe effecten (externaliteiten)
Gevolgen van consumptie of productie voor derden die daarvoor niet worden gecompenseerd of er niet voor betalen. Negatief leidt tot te veel, positief tot te weinig productie.
Internaliseren van externe effecten
De prikkel zo veranderen dat de beslisser de externe kosten of opbrengsten meeweegt, bijvoorbeeld met een belasting of verhandelbare rechten.
Pigouviaanse belasting
Een belasting per eenheid ter hoogte van de negatieve externaliteit, waardoor de markt op het sociaal optimum uitkomt.
Coase-theorema
Bij duidelijke eigendomsrechten en lage transactiekosten komen partijen via onderhandeling tot de efficiënte uitkomst, ongeacht wie het recht heeft.
Arbeidsdeling
Mensen zijn niet meer zelfvoorzienend en specialiseren zich; volgens Adam Smith de grootste bron van productiviteitsgroei.
Governance structure
De manier waarop transacties worden gecoördineerd. De twee extremen zijn de markt en de organisatie (hiërarchie).
Neoklassieke theory of the firm
Het bedrijf als black box met één rationele beslisser die winst maximaliseert en inputs omzet in outputs.
Winstparadox (paradox of profits)
Bedrijven willen alleen winst maken, maar bij perfecte concurrentie daalt de prijs door toetreding tot de marginale kosten, zodat economische winst verdwijnt.
Asymmetrische informatie
Een partij weet meer of beter dan de andere. Leidt tot marktfalen en maakt opportunistisch gedrag mogelijk.
Opportunistisch gedrag
Het nastreven van eigenbelang zonder rekening te houden met negatieve gevolgen voor anderen, zo nodig met list en bedrog.
Averechtse selectie (adverse selection)
Opportunistisch gebruik van verborgen informatie vóór een transactie (hidden information), waardoor vooral de 'verkeerde' partijen zich melden.
Lemon-markt
Een markt (tweedehands auto's) waarin kopers de kwaliteit niet zien, een gemiddelde prijs bieden en goede verkopers zich terugtrekken, tot vooral slechte producten overblijven.
Moral hazard
Opportunistisch gedrag na een transactie (hidden action), omdat de andere partij het gedrag niet kan waarnemen.
Screening
De minder geïnformeerde partij zoekt zelf informatie, bijvoorbeeld via een keuring, test of inspectie.
Signaling
De beter geïnformeerde partij maakt haar kwaliteit zichtbaar met een geloofwaardig signaal, zoals een diploma, merk of reviews.
Shirking
Lijntrekken: minder inspanning leveren dan afgesproken omdat dat niet wordt gezien.
Speltheorie
De analyse van strategische keuzes waarbij de uitkomst ook afhangt van de keuzes van anderen.
Nash-evenwicht
Een uitkomst waarbij geen speler eenzijdig beter kan worden door van strategie te veranderen, gegeven de strategie van de ander.
Dominante strategie
Een strategie die voor een speler het beste is, wat de andere speler ook kiest.
Gevangenendilemma
Een spel waarin de dominante strategieën leiden tot een uitkomst die voor beide spelers slechter is dan samenwerken.
Sequentieel spel
Een spel waarin spelers na elkaar kiezen en de eerdere keuze kennen; op te lossen met een spelboom.
Achterwaarts redeneren (backward induction)
Een sequentieel spel oplossen door bij de laatste beslissing te beginnen en terug te werken naar de eerste.
Geloofwaardige dreiging
Een dreiging die uitvoeren op het moment zelf in het eigen belang is van degene die dreigt.
Commitment
Vooraf onomkeerbaar de eigen payoffs veranderen, zodat het uitvoeren van een dreiging in het eigen belang wordt.
First mover advantage
Een voordeel van als eerste beslissen in een sequentieel spel.
Tit-for-tat
Strategie in herhaalde spellen: begin coöperatief en doe daarna wat de ander de vorige ronde deed. Scoorde het best in de toernooien van Axelrod.
Tweede-prijsveiling
Een veiling waarin de hoogste bieder wint maar het tweede bod betaalt. Je echte waardering bieden is rationeel.
Winner's curse
De winnaar van een veiling of overnamestrijd heeft de waarde vaak het meest overschat en betaalt te veel.
Instituties
Door mensen bedachte beperkingen die politieke, economische en sociale interacties structureren (North): de spelregels, formeel en informeel.
Make or buy
De keuze tussen een input zelf maken (internaliseren) of op de markt kopen (uitbesteden).
Verticale integratie
Opeenvolgende stappen in de productieketen binnen één bedrijf brengen.
Transactiekosten
De kosten van het gebruik van de markt naast de prijs, samengevat als de 3 C's: contact, contract en control.
Managementkosten
De interne kosten van het organiseren van transacties binnen een bedrijf; ze stijgen bij elke extra geïnternaliseerde transactie.
Critical dimensions of transactions
De kenmerken die de kans op en de kosten van opportunisme bepalen: frequentie, complexiteit en onzekerheid, en asset specificity.
Asset specificity
De mate waarin een transactie transactiespecifieke investeringen vraagt, die buiten de transactie weinig waard zijn en afhankelijkheid scheppen.
Hold-up probleem
Uit angst voor misbruik van afhankelijkheid vinden minder transacties of investeringen plaats dan economisch optimaal.
Lock-in
Door frequente transacties en specifieke investeringen zijn de switching costs zo hoog dat er geen vrije keuze van partner meer is.
Path dependency
De huidige situatie is alleen te verklaren uit keuzes in het verleden, niet uit huidige efficiëntie.
Vertrouwen
De verwachting dat anderen zich niet opportunistisch gedragen. Meer vertrouwen betekent lagere transactiekosten.
Principaal
De partij die verantwoordelijkheid uit handen geeft maar het risico van het gedrag van de agent draagt.
Agent
De partij die verantwoordelijkheid krijgt en met zijn gedrag de uitkomst van de principaal beïnvloedt.
Agency-probleem
Risico op opportunisme van de agent, dat ontstaat bij een belangenconflict én informatie-asymmetrie tussen principaal en agent.
Nexus of contracts
Het bedrijf als knooppunt van contracten tussen alle actoren, waarin in elke relatie een agency-probleem kan ontstaan.
Scheiding van eigendom en zeggenschap
Grote bedrijven zijn eigendom van veel aandeelhouders, maar managers nemen de beslissingen (Berle en Means).
Incentive alignment
Belangen van agent en principaal in lijn brengen met prestatieafhankelijke beloning, zoals bonussen of aandelen.
Monitoring
Gedrag, prestaties en resultaten van de agent meten om de informatie-asymmetrie te verkleinen.
Performativiteit
Mensen gaan de gemeten en beloonde doelen zien als de echte doelen, wat het onderliggende doel kan schaden.
Agency costs
Alle kosten van een agency-relatie: preventiekosten, inspectiekosten en consequentiekosten. Het optimum ligt bij minimale totale kosten.
Multiple agency theory
Iemand kan in de ene relatie principaal en tegelijk in een andere relatie agent zijn.
Corporate governance
Alle systemen die goed bestuur van een bedrijf moeten waarborgen; de verdeling van rechten en verantwoordelijkheden tussen actoren (Aguilera en Jackson).
Two-tier systeem
Het Nederlandse model met een aparte raad van bestuur en raad van commissarissen.
One-tier systeem
Het Amerikaanse model met één board of directors met inside en outside leden.
Behavioral Theory of the Firm
Theorie van Cyert en March: het bedrijf als coalitie van begrensd rationele, risico- en verliesaverse deelnemers die satisficen.
Coalition of participants
Het bedrijf als verzameling stakeholders met eigen doelen, waarvan de organisatiedoelen het resultaat zijn van onderhandeling.
Stakeholders
Alle groepen die bij een organisatie betrokken zijn: werknemers, aandeelhouders, klanten, leveranciers, overheid, gemeenschappen (Freeman).
Onderhandelingsmacht
Het vermogen van een groep om haar doelen door te zetten; hangt af van hoe uniek en waardevol haar bijdrage is en van haar legitimiteit.
Contributions en inducements
De bijdragen van deelnemers aan de organisatie en de beloningen die ze daarvoor krijgen.
Aspiratieniveau
Het minimale resultaat of de minimale beloning die een deelnemer wil bereiken; verandert in de loop van de tijd.
Satisficing behavior
Tevreden zijn met een uitkomst boven het aspiratieniveau in plaats van te maximaliseren.
Risicoaversie
Bereid zijn een lagere verwachte uitkomst te accepteren in ruil voor minder risico, of een premie te betalen om risico te vermijden.
Verliesaversie
Verliezen wegen zwaarder dan even grote winsten; in een verliessituatie wordt men risicozoekend (prospect theory).
Disposition effect
Beleggers houden verliezende aandelen te lang vast en verkopen winnende te snel.
Cognitive biases
Systematische denkfouten, zoals anchoring, availability bias, gambler's fallacy, het IKEA-effect, hyperbolic discounting en in-group bias.
Escalation of commitment
Blijven investeren in een eerdere keuze omdat je er al veel in hebt gestoken.
Organizational inertia
Organisaties veranderen langzaam, omdat verandering riskant is en ze gecommitteerd zijn aan eerdere keuzes.
Competitive strategy
De competitieve beslissingen van een business unit binnen een specifieke sector.
Corporate strategy
De strategie voor het portfolio van business units: welke onderdelen horen in hetzelfde bedrijf.
SCP-paradigma
Structure, Conduct, Performance: de structuur van de sector bepaalt het gedrag van bedrijven, en dat bepaalt hun prestaties.
Marktmacht
Het vermogen om de prijs boven de marginale kosten te zetten; komt uit schaalvoordelen, gezonken kosten, R&D en netwerkeffecten.
Strategische groep
Een groep bedrijven in een sector die dezelfde strategische keuzes maakt.
Kostenleiderschap
Generieke strategie gericht op de laagste kosten via grote schaal en relatief homogene producten.
Productdifferentiatie
Generieke strategie gericht op onderscheid via merk, kwaliteit, service of innovatie.
Resource-based view
Een concurrentievoordeel komt voort uit het bezit van of de toegang tot resources die valuable, rare, inimitable en non-substitutable (VRIN) zijn.
Dynamic capabilities
Het vermogen van een organisatie om doelbewust haar resources te creëren, uit te breiden of aan te passen.
Credible commitment
Een onomkeerbare investering die een dreiging geloofwaardig maakt en zo toetreding kan afschrikken.
Horizontale integratie
Business units die hetzelfde doen in één bedrijf; motief: economies of scale.
Economies of scale
Schaalvoordelen: de kosten per stuk dalen als hetzelfde product in grotere hoeveelheden wordt gemaakt.
Related diversification
Business units in verschillende maar verwante sectoren in één bedrijf; motief: economies of scope.
Economies of scope
Twee verwante activiteiten zijn samen efficiënter dan apart: het geheel is meer dan de som der delen.
Unrelated diversification
Business units in ongerelateerde sectoren in één bedrijf (conglomeraat); motief: een interne kapitaalmarkt.
Mergers & acquisitions
Groei door met een ander bedrijf te fuseren of het over te nemen.
Synergie
Extra waarde doordat de combinatie meer waard is dan de delen apart (1 + 1 > 2), bijvoorbeeld door schaal, scope of verticale integratie.
Overnamepremie
Het bedrag dat een koper boven de beurskoers betaalt; alleen rationeel bij voldoende verwachte synergieën.
Efficient market hypothesis
Alle relevante informatie zit in de koers zodra ze bekend is; in een weak, semi-strong en strong form.
Icarusparadox
Eerdere successen leiden tot hubris, een illusie van controle en het negeren van concurrenten.
Foreign direct investment (FDI)
Een investering van een onderneming in een onderneming in een ander land met minimaal 10% eigendom.
Horizontale FDI
Dezelfde activiteit dupliceren in een ander land; motief: markttoegang.
Verticale FDI
Het productieproces opknippen over landen; motief: lagere productiekosten (comparatieve voordelen).
Melitz-model
Alleen de meest productieve bedrijven kunnen exporteur en vooral multinational worden, omdat lokale bedrijven een thuisvoordeel hebben.
OLI-paradigma
Een bedrijf wordt multinational bij een ownership-, location- en internalization-voordeel.
Knowledge spillovers
Kennis die zonder vergoeding van multinationals naar lokale bedrijven overgaat, horizontaal, verticaal of via overstappende werknemers.
Tacit knowledge
Impliciete kennis die moeilijk overdraagbaar is en alleen te leren door te doen; verklaart waarom spillovers lokaal zijn.
Hybride vorm
Een verzameling organisaties die tegelijk via het prijsmechanisme en via andere coördinatiemechanismen coördineren.
Swollen middle
Het inzicht van Hennart dat het grootste deel van de economische activiteit in hybride vormen plaatsvindt.
Co-makership
Een langetermijnrelatie tussen afnemer en leverancier op basis van volledig wederzijds vertrouwen.
Joint venture
Twee bedrijven voegen resources samen in een nieuw, gezamenlijk bedrijf.
Business group
Juridisch onafhankelijke bedrijven met formele en informele banden, horizontaal, verticaal of gemengd (keiretsu, chaebol).
Piramidestructuur
Een eigendomsketen waarin elke laag een meerderheid van de volgende bezit; een klein economisch belang geeft volledige controle.
Dual-class equity
Aandelen met en zonder stemrecht, waarmee kapitaal kan worden opgehaald zonder controle af te staan.
Directie-interlock
Managers van de ene dochter zitten in de raad van commissarissen van een andere, wat informatiedeling bevordert.
Franchising
Een contract tussen een merkeigenaar (franchisor) en een lokale ondernemer (franchisee).
Plural form
Een keten die eigen vestigingen en franchisevestigingen combineert.
Evolutionaire economie
Een dynamisch perspectief dat populaties van bedrijven bekijkt die veranderen door mutatie, selectie en retentie.
Organizational ecology
Theorie van Hannan en Freeman over populaties van organisaties met dezelfde vorm, met relatieve traagheid en selectie door de omgeving.
Routine
Een vast proces of werkwijze van een organisatie; de eenheid van selectie in de evolutionaire economie.