Begrippen Economie voor Bedrijfskunde
- Het economische probleem
- De drie vragen die elke samenleving moet beantwoorden: wat (en hoeveel) wordt er geproduceerd, hoe, en wie krijgt het? In een markteconomie beantwoorden prijzen die vragen grotendeels.
- Welvaart (productiviteit)
- De verhouding tussen de gecreëerde waarde en de kosten van de gebruikte resources. Economische groei is productiviteitsgroei.
- Prikkels
- Beloningen en kosten die gedrag sturen. Volgens het college de fundamentele oorzaak van productiviteitsgroei, mogelijk gemaakt door instituties zoals eigendomsrechten.
- Opportunity costs (opofferingskosten)
- De netto waarde van de beste alternatieve keuze: waarde van keuze 2 min de expliciete kosten van keuze 2. Dit vak volgt deze definitie uit The Economy.
- Expliciete kosten
- Wat een keuze in geld kost. Wat je door een keuze niet meer kunt terugkrijgen (zoals een doorverkoopprijs) telt ook als expliciete kosten.
- Economische kosten
- Expliciete plus impliciete kosten van een keuze.
- Economic rent
- Waarde van een keuze min de economische kosten. Een positieve economic rent betekent dat de keuze de juiste is.
- Sunk costs (gezonken kosten)
- Kosten die niet meer kunnen worden teruggedraaid. Ze horen niet mee te tellen in een beslissing.
- Marginale opbrengst (MO)
- De extra opbrengst van één extra eenheid. Voor een prijsnemer gelijk aan de prijs.
- Marginale kosten (MK)
- De extra kosten van één extra eenheid; het verschil tussen twee opeenvolgende totale kosten.
- Marginale analyse
- Bepalen van de optimale hoeveelheid door MO en MK te vergelijken: doorgaan zolang MO ≥ MK, het optimum ligt bij MO = MK.
- Onbedoelde gevolgen (unintended consequences)
- Effecten van prikkels die anders uitpakken dan bedoeld, zoals het cobra-effect of de boete bij de Israëlische kinderopvang.
- Bounded rationality
- Beperkte rationaliteit: mensen willen rationeel kiezen, maar kunnen niet alle informatie overzien en verwerken.
- Bbp (GDP)
- Bruto binnenlands product: de optelsom van alle productie en dus alle inkomens in een land in een periode. Economische groei is groei van het bbp per hoofd.
- Brede welvaart
- Een bredere opvatting van welvaart dan het bbp, die ook zaken als gezondheid, vrije tijd en vrijheid meeneemt.
- Specialisatie
- Je toeleggen op datgene waarin je de laagste opportunity costs hebt. Verhoogt de gemiddelde productiviteit, maar vraagt handel.
- Absoluut voordeel
- Met dezelfde middelen meer van een product kunnen maken dan een ander.
- Comparatief voordeel
- De laagste opportunity costs hebben voor een product. Een land heeft in hoogstens één van twee goederen een comparatief voordeel.
- Ruilvoet (terms of trade)
- De relatieve prijs waartegen partijen ruilen. Voordelig voor beide als die tussen hun interne opportunity costs ligt.
- Perfecte concurrentie
- Een markt met veel kopers en verkopers, homogene goederen, vrije toe- en uittreding en perfecte informatie, waardoor iedereen prijsnemer is.
- Conspicuous consumption
- Consumptie om te laten zien dat je iets kunt betalen; de waarde zit in het signaal aan anderen.
- Willingness to pay
- De maximale prijs die een koper voor een eenheid wil betalen: zijn verwachte marginale opbrengst. De vraaglijn is de optelsom ervan.
- Willingness to accept
- De minimale prijs waarvoor een verkoper een eenheid wil leveren: zijn marginale kosten. De aanbodlijn is de optelsom ervan.
- Substitutiegoed
- Een goed dat een ander kan vervangen. Stijgt de prijs van het substituut, dan stijgt de vraag naar het andere goed.
- Complementair goed
- Een goed dat samen met een ander wordt gebruikt. Daalt de prijs van het ene, dan stijgt de vraag naar het andere.
- Prijselasticiteit van de vraag
- De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele verandering van de prijs. Elastisch bij |E| > 1, inelastisch bij |E| < 1.
- Marktevenwicht
- Het snijpunt van vraag en aanbod. Daar is de totale welvaart maximaal omdat precies alle ruil plaatsvindt waarbij de waarde boven de kosten ligt.
- Consumentensurplus
- Het verschil tussen wat kopers bereid zijn te betalen en de prijs die ze betalen; het vlak onder de vraaglijn en boven de prijs.
- Producentensurplus
- Het verschil tussen de ontvangen prijs en de minimale prijs waarvoor verkopers willen leveren; het vlak boven de aanbodlijn en onder de prijs.
- Deadweight loss (Harberger-driehoek)
- Het welvaartsverlies doordat de markt haar natuurlijke evenwicht niet bereikt, meestal doordat er minder of meer wordt verhandeld dan optimaal.
- Prijsplafond
- Een wettelijke maximumprijs. Onder de evenwichtsprijs leidt die tot een tekort en een deadweight loss (bijvoorbeeld huurregulering).
- Prijsvloer
- Een wettelijke minimumprijs. Boven de evenwichtsprijs leidt die tot een overschot; op de arbeidsmarkt is dat werkloosheid (minimumloon).
- Afwenteling van belasting
- Het deel van een belasting dat via een hogere prijs bij consumenten terechtkomt. De minst elastische kant draagt het meeste.
- Subsidie
- Een bijdrage per stuk van de overheid. In een verder perfecte markt maakt die de markt groter dan optimaal en ontstaat een deadweight loss.
- Marktfalen
- Elke situatie waarin de vrije markt niet tot de optimale allocatie leidt, bijvoorbeeld door publieke goederen, externe effecten of asymmetrische informatie.
- Publiek goed
- Niet uitsluitbaar en niet rivaliserend, zoals defensie, dijken en fundamenteel onderzoek. De markt levert er te weinig van.
- Common good
- Niet uitsluitbaar maar wel rivaliserend, zoals visgronden en drukke wegen. Leidt tot overbenutting.
- Free-rider probleem
- Iedereen heeft een prikkel om mee te liften op een goed zonder ervoor te betalen, waardoor het niet of onvoldoende wordt geleverd.
- Tragedy of the commons
- Overbenutting van een common good doordat ieder individu rationeel te veel gebruikt; onderzocht door Elinor Ostrom.
- Externe effecten (externaliteiten)
- Gevolgen van consumptie of productie voor derden die daarvoor niet worden gecompenseerd of er niet voor betalen. Negatief leidt tot te veel, positief tot te weinig productie.
- Internaliseren van externe effecten
- De prikkel zo veranderen dat de beslisser de externe kosten of opbrengsten meeweegt, bijvoorbeeld met een belasting of verhandelbare rechten.
- Pigouviaanse belasting
- Een belasting per eenheid ter hoogte van de negatieve externaliteit, waardoor de markt op het sociaal optimum uitkomt.
- Coase-theorema
- Bij duidelijke eigendomsrechten en lage transactiekosten komen partijen via onderhandeling tot de efficiënte uitkomst, ongeacht wie het recht heeft.
- Arbeidsdeling
- Mensen zijn niet meer zelfvoorzienend en specialiseren zich; volgens Adam Smith de grootste bron van productiviteitsgroei.
- Governance structure
- De manier waarop transacties worden gecoördineerd. De twee extremen zijn de markt en de organisatie (hiërarchie).
- Neoklassieke theory of the firm
- Het bedrijf als black box met één rationele beslisser die winst maximaliseert en inputs omzet in outputs.
- Winstparadox (paradox of profits)
- Bedrijven willen alleen winst maken, maar bij perfecte concurrentie daalt de prijs door toetreding tot de marginale kosten, zodat economische winst verdwijnt.
- Asymmetrische informatie
- Een partij weet meer of beter dan de andere. Leidt tot marktfalen en maakt opportunistisch gedrag mogelijk.
- Opportunistisch gedrag
- Het nastreven van eigenbelang zonder rekening te houden met negatieve gevolgen voor anderen, zo nodig met list en bedrog.
- Averechtse selectie (adverse selection)
- Opportunistisch gebruik van verborgen informatie vóór een transactie (hidden information), waardoor vooral de 'verkeerde' partijen zich melden.
- Lemon-markt
- Een markt (tweedehands auto's) waarin kopers de kwaliteit niet zien, een gemiddelde prijs bieden en goede verkopers zich terugtrekken, tot vooral slechte producten overblijven.
- Moral hazard
- Opportunistisch gedrag na een transactie (hidden action), omdat de andere partij het gedrag niet kan waarnemen.
- Screening
- De minder geïnformeerde partij zoekt zelf informatie, bijvoorbeeld via een keuring, test of inspectie.
- Signaling
- De beter geïnformeerde partij maakt haar kwaliteit zichtbaar met een geloofwaardig signaal, zoals een diploma, merk of reviews.
- Shirking
- Lijntrekken: minder inspanning leveren dan afgesproken omdat dat niet wordt gezien.
- Speltheorie
- De analyse van strategische keuzes waarbij de uitkomst ook afhangt van de keuzes van anderen.
- Nash-evenwicht
- Een uitkomst waarbij geen speler eenzijdig beter kan worden door van strategie te veranderen, gegeven de strategie van de ander.
- Dominante strategie
- Een strategie die voor een speler het beste is, wat de andere speler ook kiest.
- Gevangenendilemma
- Een spel waarin de dominante strategieën leiden tot een uitkomst die voor beide spelers slechter is dan samenwerken.
- Sequentieel spel
- Een spel waarin spelers na elkaar kiezen en de eerdere keuze kennen; op te lossen met een spelboom.
- Achterwaarts redeneren (backward induction)
- Een sequentieel spel oplossen door bij de laatste beslissing te beginnen en terug te werken naar de eerste.
- Geloofwaardige dreiging
- Een dreiging die uitvoeren op het moment zelf in het eigen belang is van degene die dreigt.
- Commitment
- Vooraf onomkeerbaar de eigen payoffs veranderen, zodat het uitvoeren van een dreiging in het eigen belang wordt.
- First mover advantage
- Een voordeel van als eerste beslissen in een sequentieel spel.
- Tit-for-tat
- Strategie in herhaalde spellen: begin coöperatief en doe daarna wat de ander de vorige ronde deed. Scoorde het best in de toernooien van Axelrod.
- Tweede-prijsveiling
- Een veiling waarin de hoogste bieder wint maar het tweede bod betaalt. Je echte waardering bieden is rationeel.
- Winner's curse
- De winnaar van een veiling of overnamestrijd heeft de waarde vaak het meest overschat en betaalt te veel.
- Instituties
- Door mensen bedachte beperkingen die politieke, economische en sociale interacties structureren (North): de spelregels, formeel en informeel.
- Make or buy
- De keuze tussen een input zelf maken (internaliseren) of op de markt kopen (uitbesteden).
- Verticale integratie
- Opeenvolgende stappen in de productieketen binnen één bedrijf brengen.
- Transactiekosten
- De kosten van het gebruik van de markt naast de prijs, samengevat als de 3 C's: contact, contract en control.
- Managementkosten
- De interne kosten van het organiseren van transacties binnen een bedrijf; ze stijgen bij elke extra geïnternaliseerde transactie.
- Critical dimensions of transactions
- De kenmerken die de kans op en de kosten van opportunisme bepalen: frequentie, complexiteit en onzekerheid, en asset specificity.
- Asset specificity
- De mate waarin een transactie transactiespecifieke investeringen vraagt, die buiten de transactie weinig waard zijn en afhankelijkheid scheppen.
- Hold-up probleem
- Uit angst voor misbruik van afhankelijkheid vinden minder transacties of investeringen plaats dan economisch optimaal.
- Lock-in
- Door frequente transacties en specifieke investeringen zijn de switching costs zo hoog dat er geen vrije keuze van partner meer is.
- Path dependency
- De huidige situatie is alleen te verklaren uit keuzes in het verleden, niet uit huidige efficiëntie.
- Vertrouwen
- De verwachting dat anderen zich niet opportunistisch gedragen. Meer vertrouwen betekent lagere transactiekosten.
- Principaal
- De partij die verantwoordelijkheid uit handen geeft maar het risico van het gedrag van de agent draagt.
- Agent
- De partij die verantwoordelijkheid krijgt en met zijn gedrag de uitkomst van de principaal beïnvloedt.
- Agency-probleem
- Risico op opportunisme van de agent, dat ontstaat bij een belangenconflict én informatie-asymmetrie tussen principaal en agent.
- Nexus of contracts
- Het bedrijf als knooppunt van contracten tussen alle actoren, waarin in elke relatie een agency-probleem kan ontstaan.
- Scheiding van eigendom en zeggenschap
- Grote bedrijven zijn eigendom van veel aandeelhouders, maar managers nemen de beslissingen (Berle en Means).
- Incentive alignment
- Belangen van agent en principaal in lijn brengen met prestatieafhankelijke beloning, zoals bonussen of aandelen.
- Monitoring
- Gedrag, prestaties en resultaten van de agent meten om de informatie-asymmetrie te verkleinen.
- Performativiteit
- Mensen gaan de gemeten en beloonde doelen zien als de echte doelen, wat het onderliggende doel kan schaden.
- Agency costs
- Alle kosten van een agency-relatie: preventiekosten, inspectiekosten en consequentiekosten. Het optimum ligt bij minimale totale kosten.
- Multiple agency theory
- Iemand kan in de ene relatie principaal en tegelijk in een andere relatie agent zijn.
- Corporate governance
- Alle systemen die goed bestuur van een bedrijf moeten waarborgen; de verdeling van rechten en verantwoordelijkheden tussen actoren (Aguilera en Jackson).
- Two-tier systeem
- Het Nederlandse model met een aparte raad van bestuur en raad van commissarissen.
- One-tier systeem
- Het Amerikaanse model met één board of directors met inside en outside leden.
- Behavioral Theory of the Firm
- Theorie van Cyert en March: het bedrijf als coalitie van begrensd rationele, risico- en verliesaverse deelnemers die satisficen.
- Coalition of participants
- Het bedrijf als verzameling stakeholders met eigen doelen, waarvan de organisatiedoelen het resultaat zijn van onderhandeling.
- Stakeholders
- Alle groepen die bij een organisatie betrokken zijn: werknemers, aandeelhouders, klanten, leveranciers, overheid, gemeenschappen (Freeman).
- Onderhandelingsmacht
- Het vermogen van een groep om haar doelen door te zetten; hangt af van hoe uniek en waardevol haar bijdrage is en van haar legitimiteit.
- Contributions en inducements
- De bijdragen van deelnemers aan de organisatie en de beloningen die ze daarvoor krijgen.
- Aspiratieniveau
- Het minimale resultaat of de minimale beloning die een deelnemer wil bereiken; verandert in de loop van de tijd.
- Satisficing behavior
- Tevreden zijn met een uitkomst boven het aspiratieniveau in plaats van te maximaliseren.
- Risicoaversie
- Bereid zijn een lagere verwachte uitkomst te accepteren in ruil voor minder risico, of een premie te betalen om risico te vermijden.
- Verliesaversie
- Verliezen wegen zwaarder dan even grote winsten; in een verliessituatie wordt men risicozoekend (prospect theory).
- Disposition effect
- Beleggers houden verliezende aandelen te lang vast en verkopen winnende te snel.
- Cognitive biases
- Systematische denkfouten, zoals anchoring, availability bias, gambler's fallacy, het IKEA-effect, hyperbolic discounting en in-group bias.
- Escalation of commitment
- Blijven investeren in een eerdere keuze omdat je er al veel in hebt gestoken.
- Organizational inertia
- Organisaties veranderen langzaam, omdat verandering riskant is en ze gecommitteerd zijn aan eerdere keuzes.
- Competitive strategy
- De competitieve beslissingen van een business unit binnen een specifieke sector.
- Corporate strategy
- De strategie voor het portfolio van business units: welke onderdelen horen in hetzelfde bedrijf.
- SCP-paradigma
- Structure, Conduct, Performance: de structuur van de sector bepaalt het gedrag van bedrijven, en dat bepaalt hun prestaties.
- Marktmacht
- Het vermogen om de prijs boven de marginale kosten te zetten; komt uit schaalvoordelen, gezonken kosten, R&D en netwerkeffecten.
- Strategische groep
- Een groep bedrijven in een sector die dezelfde strategische keuzes maakt.
- Kostenleiderschap
- Generieke strategie gericht op de laagste kosten via grote schaal en relatief homogene producten.
- Productdifferentiatie
- Generieke strategie gericht op onderscheid via merk, kwaliteit, service of innovatie.
- Resource-based view
- Een concurrentievoordeel komt voort uit het bezit van of de toegang tot resources die valuable, rare, inimitable en non-substitutable (VRIN) zijn.
- Dynamic capabilities
- Het vermogen van een organisatie om doelbewust haar resources te creëren, uit te breiden of aan te passen.
- Credible commitment
- Een onomkeerbare investering die een dreiging geloofwaardig maakt en zo toetreding kan afschrikken.
- Horizontale integratie
- Business units die hetzelfde doen in één bedrijf; motief: economies of scale.
- Economies of scale
- Schaalvoordelen: de kosten per stuk dalen als hetzelfde product in grotere hoeveelheden wordt gemaakt.
- Related diversification
- Business units in verschillende maar verwante sectoren in één bedrijf; motief: economies of scope.
- Economies of scope
- Twee verwante activiteiten zijn samen efficiënter dan apart: het geheel is meer dan de som der delen.
- Unrelated diversification
- Business units in ongerelateerde sectoren in één bedrijf (conglomeraat); motief: een interne kapitaalmarkt.
- Mergers & acquisitions
- Groei door met een ander bedrijf te fuseren of het over te nemen.
- Synergie
- Extra waarde doordat de combinatie meer waard is dan de delen apart (1 + 1 > 2), bijvoorbeeld door schaal, scope of verticale integratie.
- Overnamepremie
- Het bedrag dat een koper boven de beurskoers betaalt; alleen rationeel bij voldoende verwachte synergieën.
- Efficient market hypothesis
- Alle relevante informatie zit in de koers zodra ze bekend is; in een weak, semi-strong en strong form.
- Icarusparadox
- Eerdere successen leiden tot hubris, een illusie van controle en het negeren van concurrenten.
- Foreign direct investment (FDI)
- Een investering van een onderneming in een onderneming in een ander land met minimaal 10% eigendom.
- Horizontale FDI
- Dezelfde activiteit dupliceren in een ander land; motief: markttoegang.
- Verticale FDI
- Het productieproces opknippen over landen; motief: lagere productiekosten (comparatieve voordelen).
- Melitz-model
- Alleen de meest productieve bedrijven kunnen exporteur en vooral multinational worden, omdat lokale bedrijven een thuisvoordeel hebben.
- OLI-paradigma
- Een bedrijf wordt multinational bij een ownership-, location- en internalization-voordeel.
- Knowledge spillovers
- Kennis die zonder vergoeding van multinationals naar lokale bedrijven overgaat, horizontaal, verticaal of via overstappende werknemers.
- Tacit knowledge
- Impliciete kennis die moeilijk overdraagbaar is en alleen te leren door te doen; verklaart waarom spillovers lokaal zijn.
- Hybride vorm
- Een verzameling organisaties die tegelijk via het prijsmechanisme en via andere coördinatiemechanismen coördineren.
- Swollen middle
- Het inzicht van Hennart dat het grootste deel van de economische activiteit in hybride vormen plaatsvindt.
- Co-makership
- Een langetermijnrelatie tussen afnemer en leverancier op basis van volledig wederzijds vertrouwen.
- Joint venture
- Twee bedrijven voegen resources samen in een nieuw, gezamenlijk bedrijf.
- Business group
- Juridisch onafhankelijke bedrijven met formele en informele banden, horizontaal, verticaal of gemengd (keiretsu, chaebol).
- Piramidestructuur
- Een eigendomsketen waarin elke laag een meerderheid van de volgende bezit; een klein economisch belang geeft volledige controle.
- Dual-class equity
- Aandelen met en zonder stemrecht, waarmee kapitaal kan worden opgehaald zonder controle af te staan.
- Directie-interlock
- Managers van de ene dochter zitten in de raad van commissarissen van een andere, wat informatiedeling bevordert.
- Franchising
- Een contract tussen een merkeigenaar (franchisor) en een lokale ondernemer (franchisee).
- Plural form
- Een keten die eigen vestigingen en franchisevestigingen combineert.
- Evolutionaire economie
- Een dynamisch perspectief dat populaties van bedrijven bekijkt die veranderen door mutatie, selectie en retentie.
- Organizational ecology
- Theorie van Hannan en Freeman over populaties van organisaties met dezelfde vorm, met relatieve traagheid en selectie door de omgeving.
- Routine
- Een vast proces of werkwijze van een organisatie; de eenheid van selectie in de evolutionaire economie.