Begrippen Duurzaam Ondernemerschap
- Persoonlijk manifest
- Individueel eindproduct (50%) van 1600 tot 2500 woorden waarin je in de ik-vorm je beargumenteerde standpunt over duurzaam ondernemerschap geeft en laat zien hoe het zich ontwikkelde.
- Onderzoeksplan
- Groepsproduct (50%) van 3500 tot 4500 woorden: een plan voor een nog uit te voeren onderzoek, met wat, waarom en hoe je gaat onderzoeken.
- Intervisie
- Korte bijeenkomst van ongeveer 15 minuten per team waarin voortgang en vragen met de docent worden besproken.
- Teamrol (Belbin)
- De manier waarop iemand zich in een team gedraagt en bijdraagt. Belbin onderscheidt negen rollen in actie-, mens- en denkgerichte groepen.
- Toelaatbare zwakte
- De keerzijde van een sterke teamrol die je accepteert omdat de bijdrage het waard is, zoals het ongeduld van de vormer.
- Teamprofiel
- Overzicht van de aanwezige en ontbrekende teamrollen in een team, met de sterke punten en uitdagingen van het team.
- Kernkwaliteiten
- Eigenschappen waarin iemand sterk is en die hij in een team kan inzetten; in de voorbereiding gekozen met hulp van twee anderen.
- Verwachtingsmanagement
- Afspraken in het team over gewenste inzet en ambitie, om frustratie door verschillende verwachtingen te voorkomen.
- Escalatieprocedure
- Vooraf afgesproken stappen (e-mail met docent in cc, gesprek, waarschuwing, verwijdering) voor als een teamlid zich niet aan afspraken houdt.
- Meeliften
- Profiteren van het werk van teamgenoten zonder zelf bij te dragen (freeloading); wordt in het vak niet geaccepteerd.
- Ondernemerschap (Shane en Venkataraman)
- De studie van hoe, door wie en met welke effecten kansen voor toekomstige goederen en diensten worden ontdekt, geëvalueerd en benut.
- Creatieve destructie
- Idee van Schumpeter dat innovaties van ondernemers bestaande producten, bedrijven en werkwijzen verdringen.
- Bricolage
- Iets maken uit middelen die voorhanden zijn, ook middelen die anderen hebben afgewezen of genegeerd (Baker en Nelson).
- Causation
- Redeneerwijze waarin de ondernemer een vast doel heeft en de middelen zoekt om dat te bereiken (Sarasvathy).
- Effectuation
- Redeneerwijze waarin de ondernemer vertrekt vanuit de beschikbare middelen en doelen onderweg laat ontstaan (Sarasvathy).
- Pull-factoren
- Motieven die iemand naar ondernemerschap trekken, zoals onafhankelijkheid, erkenning, welvaart en rolmodellen.
- Push-factoren
- Omstandigheden die iemand naar ondernemerschap duwen, zoals werkloosheid, discriminatie, armoede en niet-erkende diploma's.
- Necessity-driven ondernemer
- Iemand die uit noodzaak onderneemt omdat andere opties ontbreken; tegenover de opportunity-driven ondernemer die een kans ziet.
- Kritische ondernemerschapsstudies
- Stroming die vraagt voor wie ondernemerschap is, hoe context het beïnvloedt en wie als ondernemer wordt gezien.
- Entrepreneuring
- Inspanningen van individuen of groepen om nieuwe economische, sociale, institutionele en culturele omgevingen te creëren (Rindova en collega's).
- Minority entrepreneurs
- Ondernemers die buiten het dominante archetype vallen, zoals vrouwen, migranten, vluchtelingen en LHBTIQ+ ondernemers.
- Dark side (Shepherd)
- Negatieve psychische en emotionele gevolgen van ondernemend handelen voor de ondernemer zelf.
- Downside (Shepherd)
- Het financiële verlies van de ondernemer als gevolg van het ondernemingsproces.
- Destructive side (Shepherd)
- Schade aan anderen in de samenleving doordat middelen van anderen door ondernemend handelen worden aangetast.
- Duurzaam ondernemerschap
- Ondernemersrendement behalen en tegelijkertijd sociale en ecologische omstandigheden verbeteren; winst en bijdrage gaan samen in het verdienmodel.
- Triple bottom line
- Beoordeling van een organisatie op people, planet en profit in plaats van alleen op winst.
- Duurzame onderneming
- Onderneming waarbij duurzaamheid in de kernactiviteit en het verdienmodel zit, in tegenstelling tot een bedrijf met alleen duurzame praktijken.
- Sociaal-commercieel hybride spectrum
- Reeks van puur sociale via hybride naar puur commerciële organisaties; duurzaam ondernemerschap zit in het hybride midden.
- Ondernemersoriëntatie (EO)
- De mate waarin een persoon of organisatie ondernemend handelt: innovatief, proactief en risicobereid.
- Duurzaamheidsmotivatie
- De mate waarin een ondernemer door sociale en groene waarden wordt gedreven; een van de twee dimensies van de archetypen.
- Evangelist
- Archetype met hoge duurzaamheidsmotivatie en hoge ondernemersoriëntatie.
- Idealist
- Archetype met hoge duurzaamheidsmotivatie maar lage ondernemersoriëntatie.
- Opportunist
- Archetype met lage duurzaamheidsmotivatie en hoge ondernemersoriëntatie; ziet duurzaamheid vooral als marktkans.
- Realist
- Archetype met lage duurzaamheidsmotivatie en lage ondernemersoriëntatie.
- Intrinsieke motieven
- Motieven vanuit de ondernemer zelf, zoals waarden en passie; bij duurzame ondernemers sterker dan geld.
- Tone of voice
- De manier waarop een onderneming communiceert; een duurzame ondernemer kan die afstemmen op de niet-duurzame klant.
- Duurzame ontwikkeling
- Ontwikkeling die voorziet in de behoeften van nu zonder toekomstige generaties te benadelen; gedefinieerd in de jaren 90.
- Ecologisch discours
- Spreken over duurzaamheid als de relatie tussen mens en natuur (Giovannoni en Fabietti).
- Sociaal discours
- Spreken over duurzaamheid als sociale gelijkheid en rechtvaardigheid, met MVO en stakeholdertheorie.
- Bedrijfsmatig discours
- Spreken over duurzaamheid als 'staying in business', met de paradox dat bedrijven zowel oplossing als oorzaak zijn.
- Duurzame waarde
- Waarde in de overlap van ecologische, sociale en economische waarde.
- Blended value
- Gemengde waarde die economische, sociale en ecologische opbrengsten combineert; terug te vinden in de titel van het cursusboek.
- SDG's
- De zeventien Sustainable Development Goals van de VN, de actieagenda voor duurzame ontwikkeling tot 2030.
- MVO (CSR)
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen door vooral winstgerichte bedrijven, naast de kernactiviteit.
- Sociaal ondernemerschap
- Missiegedreven ondernemerschap gericht op sociale waarde.
- Ecologisch ondernemerschap
- Economische waarde creëren door milieuproblemen op te lossen (ecopreneurs).
- Transformationeel ondernemerschap
- Ondernemerschap dat via een systeembenadering sociaaleconomische transformatie wil bereiken.
- Ethisch ondernemerschap
- Ondernemerschap gebouwd op eerlijkheid, integriteit, fatsoen en efficiëntie.
- Waargenomen wenselijkheid
- Hoe aantrekkelijk iemand duurzaam ondernemen vindt; een van de vijf motivaties.
- Waargenomen haalbaarheid
- Hoe goed iemand denkt duurzaam te kunnen ondernemen; een van de vijf motivaties.
- Antropoceen
- Tijdperk waarin de mens de belangrijkste kracht is die de aarde verandert; reden waarom 'minder schade' niet volstaat.
- SEO
- Sustainable entrepreneurship orientation: EO aangevuld met bewustzijn en motivatie voor duurzaamheid, als strategische hulpbron.
- EO als besluitvormingsproces
- Opvatting dat ondernemende organisaties berekende risico's nemen na gedegen onderzoek naar de mogelijke uitkomsten.
- Change agent
- Persoon die duurzame verandering in een organisatie nastreeft, ook als dat botst met heersende opvattingen.
- Corporate entrepreneurship
- Ondernemende activiteiten binnen een bestaande organisatie; niet per se op duurzaamheid gericht.
- Intrapreneurship
- Als werknemer van een grote organisatie handelen als een zelfstandige ondernemer.
- Sustainability champion
- Iemand op elk niveau in een organisatie die verandering leidt om die organisatie duurzaam te maken.
- Vier C's
- Drijfveren om groen te worden volgens Schaper: compliance, costs, customers en caution.
- Census
- Onderzoek onder (bijna) de hele populatie, zoals de vragenlijst onder 21.487 Australische bedrijven in hoofdstuk 4.1.
- Aan- en uitknoppen
- Praktijkconclusies van Schaper over wat verduurzaming stimuleert of remt, zoals waarden, eenvoud, terugverdienmogelijkheden en regelgeving.
- Greenwashing
- Een ongefundeerde bewering waardoor consumenten producten milieuvriendelijker vinden dan ze zijn.
- Pinkwashing
- Steun voor bijvoorbeeld LHBTIQ+ rechten of diversiteit gebruiken voor het imago, zonder dat beleid of praktijk dat waarmaakt.
- Bedrijfsethiek
- Nadenken over goed en juist handelen van organisaties, onder meer rond arbeid, privacy, mensenrechten en milieu.
- Reputatierisico
- Het risico op schade aan het imago, bijvoorbeeld als duurzaamheidsclaims niet blijken te kloppen.
- Beargumenteerde kritiek
- Kritiek die een concrete bewering met bewijs en cursusbegrippen bespreekt en tot een standpunt leidt.
- RU College Tour
- Hoorcollege met een panel van drie duurzame ondernemingen uit Nijmegen.
- Topiclijst
- Lijst met onderwerpen, subonderwerpen en openingsvragen voor een interview, in een logische volgorde.
- Semigestructureerd interview
- Interview met vaste onderwerpen maar ruimte om door te vragen en af te wijken.
- Doorvragen
- Neutraal verder vragen om meer informatie te krijgen, bijvoorbeeld 'Kunt u daar een voorbeeld van geven?'.
- Sturende vraag
- Vraag met een waardeoordeel die de respondent een kant op stuurt; ongeschikt in een interview.
- Sociaal wenselijk antwoord
- Antwoord dat een respondent geeft omdat hij denkt dat het geaccepteerd of gewenst is, niet omdat het klopt.
- Persoonlijke communicatie (APA)
- Verwijzing naar een niet-openbare bron, zoals een college of gesprek, alleen in de tekst en niet in de referentielijst.
- AVG
- Europese privacywet die bepaalt welke persoonsgegevens je mag verzamelen en hoe je ermee omgaat.
- Bedrijfsmodel
- De logica van hoe een organisatie waarde creëert, levert en vangt; een duurzaam bedrijfsmodel telt ook waarde en schade voor mens en milieu mee.
- Waarden-actiekloof
- Het verschil tussen de duurzame bedoelingen en kennis van consumenten en hun feitelijke gedrag.
- Delen, geen eigendom
- Bedrijfsmodel waarbij één product door meerdere klanten wordt gebruikt, zoals autodelen.
- Diensten voor vraagvermindering
- Bedrijfsmodel met oplossingen die het energie- en grondstoffengebruik van mensen en bedrijven verlagen.
- Verkoop en promotie matigen
- Bedrijfsmodel dat bewust minder verkoopt en verkoopt op basis van werkelijke behoefte.
- Levensduur verlengen
- Bedrijfsmodel met producten die lang meegaan, te repareren en te upgraden zijn en niet modegevoelig.
- Direct hergebruik
- Bedrijfsmodel dat markten creëert voor gebruikte goederen, zodat minder op de afvalberg belandt.
- Volledige levenscyclus-sufficiëntie
- Bedrijfsmodel gericht op sterk verminderd grondstoffengebruik over de hele levenscyclus, zoals frugale innovaties.
- Regeneratief lean canvas
- Canvas op basis van het lean canvas van Maurya dat naast klant en geld de effecten op mens en planeet in elke bouwsteen meeneemt.
- Circulaire economie
- Model van productie en consumptie waarin materialen en producten zo lang mogelijk worden gedeeld, hergebruikt, gerepareerd en gerecycled.
- Lineaire economie
- Economie volgens nemen, maken, weggooien.
- Circularity practices
- Handelingen van bedrijven die passen bij de circulaire economie, zoals recyclen, herfabriceren, hergebruiken en herverdelen.
- Ideaaltypisch model
- Een geïdealiseerd model dat nog niet structureel is gerealiseerd; zo noemt hoofdstuk 2.3 de circulaire economie.
- Break-through innovation
- Baanbrekende vernieuwing; de circulaire economie maakt het mogelijk relaties met stakeholders opnieuw uit te vinden.
- Positieve terugkoppelingslus
- Proces waarin elke stap de volgende versterkt, zoals circulaire stappen die samenwerking met stakeholders makkelijker maken.
- B Corp
- Certificering voor bedrijven die maatschappelijk doelgericht werken; in hoofdstuk 2.3 een belangrijk signaal voor circulaire ondernemers.
- Regeneratief
- Hoogste trede van de ladder: netto positieve oplossingen, mensen doen dingen zoals de natuur.
- Doelstelling
- Formulering van welke nieuwe kennis het onderzoek oplevert en waarom; geen vraag.
- Vraagstelling
- De vraag of vragen die het onderzoek beantwoordt; moet aansluiten op de doelstelling, specifiek en haalbaar zijn en een kennisvraag zijn.
- Handelingsvraag
- Vraag naar wat je moet doen om een probleem op te lossen; ongeschikt als empirische vraagstelling.
- Kennisvraag
- Vraag naar iets wat je kunt weten en onderzoeken; geschikt als empirische vraagstelling.
- Literatuurstudie
- Nagaan wat er al bekend is over een onderwerp; gaat vooraf aan empirisch onderzoek maar is zelf geen empirische waarnemingsmethode.
- Beschrijvende vraag
- Vraag naar hoe een situatie eruitziet, inclusief exploratieve vragen.
- Verklarende vraag
- Vraag naar oorzaken: waarom is iets zo?
- Toetsende vraag
- Vraag of een veronderstelling (hypothese) juist is.
- Longitudinaal onderzoek
- Onderzoek met metingen op meerdere momenten om ontwikkelingen te volgen; tegenover cross-sectioneel onderzoek als momentopname.
- Theoriegericht onderzoek
- Onderzoek dat bijdraagt aan nieuwe kennis, naar aanleiding van hiaten of tegenstrijdigheden in de theorie.
- Praktijkgericht onderzoek
- Onderzoek dat kennis levert om een praktijk- of handelingsprobleem op te lossen.
- Conceptueel model
- Schematisch overzicht van de veronderstelde samenhangen tussen factoren die een verschijnsel verklaren.
- Operationaliseren
- Theoretische begrippen vertalen naar empirisch meetbare variabelen.
- Validiteit
- De mate waarin een instrument meet wat het theoretisch hoort te meten.
- Betrouwbaarheid
- De mate waarin herhaling van een meting dezelfde resultaten oplevert.
- Onderzoekseenheid
- Datgene waarover het onderzoek een uitspraak doet, zoals werknemers of bedrijven.
- Deductie
- Van theorie via hypothese naar observatie; typisch voor toetsend onderzoek.
- Inductie
- Van observaties via empirische generalisaties naar theorie; typisch voor theorieontwikkelend onderzoek.
- Interne validiteit
- De mate waarin je kunt concluderen dat een oorzaak echt het gevolg veroorzaakt; sterk bij experimenten.
- Externe validiteit
- De mate waarin resultaten gelden voor andere situaties dan de onderzochte; zwak bij laboratoriumexperimenten.
- Steekproefkader
- De lijst waaruit een steekproef wordt getrokken, zoals een register; nooit helemaal volledig.
- Gestratificeerde steekproef
- Steekproef waarbij de populatie eerst in subgroepen wordt verdeeld en uit elke subgroep wordt getrokken.
- Quotasteekproef
- Niet-aselecte steekproef waarbij interviewers categorieën vullen; leidt vaak tot vertekening.
- Non-respons
- Het niet deelnemen van benaderde personen; kan resultaten vertekenen als niet-reageerders afwijken.
- Verstehen
- Begrijpen van de betekenis die mensen aan hun situatie geven; kern van interpretatief onderzoek.
- Participerende observatie
- Waarnemen door deel uit te maken van de onderzochte situatie, met zo weinig mogelijk invloed.
- Member check
- Nagaan of de beschrijving van de onderzoeker overeenkomt met hoe de onderzochten het zelf zien.
- Sensitizing concepts
- Richtinggevende begrippen die tijdens kwalitatief onderzoek worden aangescherpt (Blumer).
- Theoretical sampling
- Gaandeweg bewust nieuwe cases of situaties kiezen op basis van opgedane inzichten.
- Verzadiging
- Punt waarop nieuwe waarnemingen geen nieuwe inzichten meer opleveren.
- Triangulatie
- Meerdere bronnen en methoden gebruiken en de uitkomsten op elkaar betrekken.
- Casestudy (Yin)
- Empirisch onderzoek naar een hedendaags verschijnsel in zijn echte context, met vage grenzen tussen verschijnsel en context en meerdere bewijsbronnen.
- Critical case
- Eén case die aan alle voorwaarden van een theorie voldoet en daardoor geschikt is om die te toetsen.
- Revelatory case
- Onthullend geval dat de kans biedt iets te bestuderen dat eerder ontoegankelijk was.
- DOVE-cyclus
- Handelingscyclus voor organisatieontwerp: diagnose, ontwerp, verandering en evaluatie.
- Symptoombestrijding
- Het aanpakken van zichtbare verschijnselen zonder de onderliggende oorzaken op te lossen.
- Systeemdynamica
- Interventiemethode die het gedrag van een verschijnsel in de tijd modelleert met terugkoppelingslussen.
- Group model building
- Interventiemethode waarin stakeholders samen een model bouwen om consensus en draagvlak te bereiken.
- Theoretische achtergrond
- Deel van het onderzoeksplan dat kritisch bespreekt wat de literatuur over het onderwerp weet; geen opsomming.
- Consistentie (onderzoeksplan)
- Criterium dat beoordeelt of probleem, vraag, theorie en methode op elkaar aansluiten.
- Reflecteren
- Kritisch nadenken over je eigen ideeën, gedachten en gevoelens en wat je daarvan leert.
- Positionering
- Het duidelijke standpunt waarmee het manifest eindigt en dat logisch volgt uit de reflectie.
- APA 7
- De zevende editie van de verwijsstijl van de American Psychological Association, verplicht voor beide eindproducten.
- Pitch
- Korte, overtuigende presentatie met als hoofddoel het publiek te overtuigen dat een idee de moeite waard is.
- Pitch canvas
- Hulpmiddel van Best3Minutes om een pitch op één pagina te structureren: pijn, product, uniek, bewijs, team en call to action.
- Call to action
- De expliciete actie die je aan het eind van de pitch aan het publiek vraagt.
- Kracht van drie
- Richtlijn om maximaal drie kernpunten te noemen omdat mensen die het best onthouden.
- Publieksprofiel
- Analyse van je publiek: uitdagingen, houding, kennis, interesses en grootste bezwaar.