Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Duurzaam Ondernemerschap

Persoonlijk manifest
Individueel eindproduct (50%) van 1600 tot 2500 woorden waarin je in de ik-vorm je beargumenteerde standpunt over duurzaam ondernemerschap geeft en laat zien hoe het zich ontwikkelde.
Onderzoeksplan
Groepsproduct (50%) van 3500 tot 4500 woorden: een plan voor een nog uit te voeren onderzoek, met wat, waarom en hoe je gaat onderzoeken.
Intervisie
Korte bijeenkomst van ongeveer 15 minuten per team waarin voortgang en vragen met de docent worden besproken.
Teamrol (Belbin)
De manier waarop iemand zich in een team gedraagt en bijdraagt. Belbin onderscheidt negen rollen in actie-, mens- en denkgerichte groepen.
Toelaatbare zwakte
De keerzijde van een sterke teamrol die je accepteert omdat de bijdrage het waard is, zoals het ongeduld van de vormer.
Teamprofiel
Overzicht van de aanwezige en ontbrekende teamrollen in een team, met de sterke punten en uitdagingen van het team.
Kernkwaliteiten
Eigenschappen waarin iemand sterk is en die hij in een team kan inzetten; in de voorbereiding gekozen met hulp van twee anderen.
Verwachtingsmanagement
Afspraken in het team over gewenste inzet en ambitie, om frustratie door verschillende verwachtingen te voorkomen.
Escalatieprocedure
Vooraf afgesproken stappen (e-mail met docent in cc, gesprek, waarschuwing, verwijdering) voor als een teamlid zich niet aan afspraken houdt.
Meeliften
Profiteren van het werk van teamgenoten zonder zelf bij te dragen (freeloading); wordt in het vak niet geaccepteerd.
Ondernemerschap (Shane en Venkataraman)
De studie van hoe, door wie en met welke effecten kansen voor toekomstige goederen en diensten worden ontdekt, geëvalueerd en benut.
Creatieve destructie
Idee van Schumpeter dat innovaties van ondernemers bestaande producten, bedrijven en werkwijzen verdringen.
Bricolage
Iets maken uit middelen die voorhanden zijn, ook middelen die anderen hebben afgewezen of genegeerd (Baker en Nelson).
Causation
Redeneerwijze waarin de ondernemer een vast doel heeft en de middelen zoekt om dat te bereiken (Sarasvathy).
Effectuation
Redeneerwijze waarin de ondernemer vertrekt vanuit de beschikbare middelen en doelen onderweg laat ontstaan (Sarasvathy).
Pull-factoren
Motieven die iemand naar ondernemerschap trekken, zoals onafhankelijkheid, erkenning, welvaart en rolmodellen.
Push-factoren
Omstandigheden die iemand naar ondernemerschap duwen, zoals werkloosheid, discriminatie, armoede en niet-erkende diploma's.
Necessity-driven ondernemer
Iemand die uit noodzaak onderneemt omdat andere opties ontbreken; tegenover de opportunity-driven ondernemer die een kans ziet.
Kritische ondernemerschapsstudies
Stroming die vraagt voor wie ondernemerschap is, hoe context het beïnvloedt en wie als ondernemer wordt gezien.
Entrepreneuring
Inspanningen van individuen of groepen om nieuwe economische, sociale, institutionele en culturele omgevingen te creëren (Rindova en collega's).
Minority entrepreneurs
Ondernemers die buiten het dominante archetype vallen, zoals vrouwen, migranten, vluchtelingen en LHBTIQ+ ondernemers.
Dark side (Shepherd)
Negatieve psychische en emotionele gevolgen van ondernemend handelen voor de ondernemer zelf.
Downside (Shepherd)
Het financiële verlies van de ondernemer als gevolg van het ondernemingsproces.
Destructive side (Shepherd)
Schade aan anderen in de samenleving doordat middelen van anderen door ondernemend handelen worden aangetast.
Duurzaam ondernemerschap
Ondernemersrendement behalen en tegelijkertijd sociale en ecologische omstandigheden verbeteren; winst en bijdrage gaan samen in het verdienmodel.
Triple bottom line
Beoordeling van een organisatie op people, planet en profit in plaats van alleen op winst.
Duurzame onderneming
Onderneming waarbij duurzaamheid in de kernactiviteit en het verdienmodel zit, in tegenstelling tot een bedrijf met alleen duurzame praktijken.
Sociaal-commercieel hybride spectrum
Reeks van puur sociale via hybride naar puur commerciële organisaties; duurzaam ondernemerschap zit in het hybride midden.
Ondernemersoriëntatie (EO)
De mate waarin een persoon of organisatie ondernemend handelt: innovatief, proactief en risicobereid.
Duurzaamheidsmotivatie
De mate waarin een ondernemer door sociale en groene waarden wordt gedreven; een van de twee dimensies van de archetypen.
Evangelist
Archetype met hoge duurzaamheidsmotivatie en hoge ondernemersoriëntatie.
Idealist
Archetype met hoge duurzaamheidsmotivatie maar lage ondernemersoriëntatie.
Opportunist
Archetype met lage duurzaamheidsmotivatie en hoge ondernemersoriëntatie; ziet duurzaamheid vooral als marktkans.
Realist
Archetype met lage duurzaamheidsmotivatie en lage ondernemersoriëntatie.
Intrinsieke motieven
Motieven vanuit de ondernemer zelf, zoals waarden en passie; bij duurzame ondernemers sterker dan geld.
Tone of voice
De manier waarop een onderneming communiceert; een duurzame ondernemer kan die afstemmen op de niet-duurzame klant.
Duurzame ontwikkeling
Ontwikkeling die voorziet in de behoeften van nu zonder toekomstige generaties te benadelen; gedefinieerd in de jaren 90.
Ecologisch discours
Spreken over duurzaamheid als de relatie tussen mens en natuur (Giovannoni en Fabietti).
Sociaal discours
Spreken over duurzaamheid als sociale gelijkheid en rechtvaardigheid, met MVO en stakeholdertheorie.
Bedrijfsmatig discours
Spreken over duurzaamheid als 'staying in business', met de paradox dat bedrijven zowel oplossing als oorzaak zijn.
Duurzame waarde
Waarde in de overlap van ecologische, sociale en economische waarde.
Blended value
Gemengde waarde die economische, sociale en ecologische opbrengsten combineert; terug te vinden in de titel van het cursusboek.
SDG's
De zeventien Sustainable Development Goals van de VN, de actieagenda voor duurzame ontwikkeling tot 2030.
MVO (CSR)
Maatschappelijk verantwoord ondernemen door vooral winstgerichte bedrijven, naast de kernactiviteit.
Sociaal ondernemerschap
Missiegedreven ondernemerschap gericht op sociale waarde.
Ecologisch ondernemerschap
Economische waarde creëren door milieuproblemen op te lossen (ecopreneurs).
Transformationeel ondernemerschap
Ondernemerschap dat via een systeembenadering sociaaleconomische transformatie wil bereiken.
Ethisch ondernemerschap
Ondernemerschap gebouwd op eerlijkheid, integriteit, fatsoen en efficiëntie.
Waargenomen wenselijkheid
Hoe aantrekkelijk iemand duurzaam ondernemen vindt; een van de vijf motivaties.
Waargenomen haalbaarheid
Hoe goed iemand denkt duurzaam te kunnen ondernemen; een van de vijf motivaties.
Antropoceen
Tijdperk waarin de mens de belangrijkste kracht is die de aarde verandert; reden waarom 'minder schade' niet volstaat.
SEO
Sustainable entrepreneurship orientation: EO aangevuld met bewustzijn en motivatie voor duurzaamheid, als strategische hulpbron.
EO als besluitvormingsproces
Opvatting dat ondernemende organisaties berekende risico's nemen na gedegen onderzoek naar de mogelijke uitkomsten.
Change agent
Persoon die duurzame verandering in een organisatie nastreeft, ook als dat botst met heersende opvattingen.
Corporate entrepreneurship
Ondernemende activiteiten binnen een bestaande organisatie; niet per se op duurzaamheid gericht.
Intrapreneurship
Als werknemer van een grote organisatie handelen als een zelfstandige ondernemer.
Sustainability champion
Iemand op elk niveau in een organisatie die verandering leidt om die organisatie duurzaam te maken.
Vier C's
Drijfveren om groen te worden volgens Schaper: compliance, costs, customers en caution.
Census
Onderzoek onder (bijna) de hele populatie, zoals de vragenlijst onder 21.487 Australische bedrijven in hoofdstuk 4.1.
Aan- en uitknoppen
Praktijkconclusies van Schaper over wat verduurzaming stimuleert of remt, zoals waarden, eenvoud, terugverdienmogelijkheden en regelgeving.
Greenwashing
Een ongefundeerde bewering waardoor consumenten producten milieuvriendelijker vinden dan ze zijn.
Pinkwashing
Steun voor bijvoorbeeld LHBTIQ+ rechten of diversiteit gebruiken voor het imago, zonder dat beleid of praktijk dat waarmaakt.
Bedrijfsethiek
Nadenken over goed en juist handelen van organisaties, onder meer rond arbeid, privacy, mensenrechten en milieu.
Reputatierisico
Het risico op schade aan het imago, bijvoorbeeld als duurzaamheidsclaims niet blijken te kloppen.
Beargumenteerde kritiek
Kritiek die een concrete bewering met bewijs en cursusbegrippen bespreekt en tot een standpunt leidt.
RU College Tour
Hoorcollege met een panel van drie duurzame ondernemingen uit Nijmegen.
Topiclijst
Lijst met onderwerpen, subonderwerpen en openingsvragen voor een interview, in een logische volgorde.
Semigestructureerd interview
Interview met vaste onderwerpen maar ruimte om door te vragen en af te wijken.
Doorvragen
Neutraal verder vragen om meer informatie te krijgen, bijvoorbeeld 'Kunt u daar een voorbeeld van geven?'.
Sturende vraag
Vraag met een waardeoordeel die de respondent een kant op stuurt; ongeschikt in een interview.
Sociaal wenselijk antwoord
Antwoord dat een respondent geeft omdat hij denkt dat het geaccepteerd of gewenst is, niet omdat het klopt.
Persoonlijke communicatie (APA)
Verwijzing naar een niet-openbare bron, zoals een college of gesprek, alleen in de tekst en niet in de referentielijst.
AVG
Europese privacywet die bepaalt welke persoonsgegevens je mag verzamelen en hoe je ermee omgaat.
Bedrijfsmodel
De logica van hoe een organisatie waarde creëert, levert en vangt; een duurzaam bedrijfsmodel telt ook waarde en schade voor mens en milieu mee.
Waarden-actiekloof
Het verschil tussen de duurzame bedoelingen en kennis van consumenten en hun feitelijke gedrag.
Delen, geen eigendom
Bedrijfsmodel waarbij één product door meerdere klanten wordt gebruikt, zoals autodelen.
Diensten voor vraagvermindering
Bedrijfsmodel met oplossingen die het energie- en grondstoffengebruik van mensen en bedrijven verlagen.
Verkoop en promotie matigen
Bedrijfsmodel dat bewust minder verkoopt en verkoopt op basis van werkelijke behoefte.
Levensduur verlengen
Bedrijfsmodel met producten die lang meegaan, te repareren en te upgraden zijn en niet modegevoelig.
Direct hergebruik
Bedrijfsmodel dat markten creëert voor gebruikte goederen, zodat minder op de afvalberg belandt.
Volledige levenscyclus-sufficiëntie
Bedrijfsmodel gericht op sterk verminderd grondstoffengebruik over de hele levenscyclus, zoals frugale innovaties.
Regeneratief lean canvas
Canvas op basis van het lean canvas van Maurya dat naast klant en geld de effecten op mens en planeet in elke bouwsteen meeneemt.
Circulaire economie
Model van productie en consumptie waarin materialen en producten zo lang mogelijk worden gedeeld, hergebruikt, gerepareerd en gerecycled.
Lineaire economie
Economie volgens nemen, maken, weggooien.
Circularity practices
Handelingen van bedrijven die passen bij de circulaire economie, zoals recyclen, herfabriceren, hergebruiken en herverdelen.
Ideaaltypisch model
Een geïdealiseerd model dat nog niet structureel is gerealiseerd; zo noemt hoofdstuk 2.3 de circulaire economie.
Break-through innovation
Baanbrekende vernieuwing; de circulaire economie maakt het mogelijk relaties met stakeholders opnieuw uit te vinden.
Positieve terugkoppelingslus
Proces waarin elke stap de volgende versterkt, zoals circulaire stappen die samenwerking met stakeholders makkelijker maken.
B Corp
Certificering voor bedrijven die maatschappelijk doelgericht werken; in hoofdstuk 2.3 een belangrijk signaal voor circulaire ondernemers.
Regeneratief
Hoogste trede van de ladder: netto positieve oplossingen, mensen doen dingen zoals de natuur.
Doelstelling
Formulering van welke nieuwe kennis het onderzoek oplevert en waarom; geen vraag.
Vraagstelling
De vraag of vragen die het onderzoek beantwoordt; moet aansluiten op de doelstelling, specifiek en haalbaar zijn en een kennisvraag zijn.
Handelingsvraag
Vraag naar wat je moet doen om een probleem op te lossen; ongeschikt als empirische vraagstelling.
Kennisvraag
Vraag naar iets wat je kunt weten en onderzoeken; geschikt als empirische vraagstelling.
Literatuurstudie
Nagaan wat er al bekend is over een onderwerp; gaat vooraf aan empirisch onderzoek maar is zelf geen empirische waarnemingsmethode.
Beschrijvende vraag
Vraag naar hoe een situatie eruitziet, inclusief exploratieve vragen.
Verklarende vraag
Vraag naar oorzaken: waarom is iets zo?
Toetsende vraag
Vraag of een veronderstelling (hypothese) juist is.
Longitudinaal onderzoek
Onderzoek met metingen op meerdere momenten om ontwikkelingen te volgen; tegenover cross-sectioneel onderzoek als momentopname.
Theoriegericht onderzoek
Onderzoek dat bijdraagt aan nieuwe kennis, naar aanleiding van hiaten of tegenstrijdigheden in de theorie.
Praktijkgericht onderzoek
Onderzoek dat kennis levert om een praktijk- of handelingsprobleem op te lossen.
Conceptueel model
Schematisch overzicht van de veronderstelde samenhangen tussen factoren die een verschijnsel verklaren.
Operationaliseren
Theoretische begrippen vertalen naar empirisch meetbare variabelen.
Validiteit
De mate waarin een instrument meet wat het theoretisch hoort te meten.
Betrouwbaarheid
De mate waarin herhaling van een meting dezelfde resultaten oplevert.
Onderzoekseenheid
Datgene waarover het onderzoek een uitspraak doet, zoals werknemers of bedrijven.
Deductie
Van theorie via hypothese naar observatie; typisch voor toetsend onderzoek.
Inductie
Van observaties via empirische generalisaties naar theorie; typisch voor theorieontwikkelend onderzoek.
Interne validiteit
De mate waarin je kunt concluderen dat een oorzaak echt het gevolg veroorzaakt; sterk bij experimenten.
Externe validiteit
De mate waarin resultaten gelden voor andere situaties dan de onderzochte; zwak bij laboratoriumexperimenten.
Steekproefkader
De lijst waaruit een steekproef wordt getrokken, zoals een register; nooit helemaal volledig.
Gestratificeerde steekproef
Steekproef waarbij de populatie eerst in subgroepen wordt verdeeld en uit elke subgroep wordt getrokken.
Quotasteekproef
Niet-aselecte steekproef waarbij interviewers categorieën vullen; leidt vaak tot vertekening.
Non-respons
Het niet deelnemen van benaderde personen; kan resultaten vertekenen als niet-reageerders afwijken.
Verstehen
Begrijpen van de betekenis die mensen aan hun situatie geven; kern van interpretatief onderzoek.
Participerende observatie
Waarnemen door deel uit te maken van de onderzochte situatie, met zo weinig mogelijk invloed.
Member check
Nagaan of de beschrijving van de onderzoeker overeenkomt met hoe de onderzochten het zelf zien.
Sensitizing concepts
Richtinggevende begrippen die tijdens kwalitatief onderzoek worden aangescherpt (Blumer).
Theoretical sampling
Gaandeweg bewust nieuwe cases of situaties kiezen op basis van opgedane inzichten.
Verzadiging
Punt waarop nieuwe waarnemingen geen nieuwe inzichten meer opleveren.
Triangulatie
Meerdere bronnen en methoden gebruiken en de uitkomsten op elkaar betrekken.
Casestudy (Yin)
Empirisch onderzoek naar een hedendaags verschijnsel in zijn echte context, met vage grenzen tussen verschijnsel en context en meerdere bewijsbronnen.
Critical case
Eén case die aan alle voorwaarden van een theorie voldoet en daardoor geschikt is om die te toetsen.
Revelatory case
Onthullend geval dat de kans biedt iets te bestuderen dat eerder ontoegankelijk was.
DOVE-cyclus
Handelingscyclus voor organisatieontwerp: diagnose, ontwerp, verandering en evaluatie.
Symptoombestrijding
Het aanpakken van zichtbare verschijnselen zonder de onderliggende oorzaken op te lossen.
Systeemdynamica
Interventiemethode die het gedrag van een verschijnsel in de tijd modelleert met terugkoppelingslussen.
Group model building
Interventiemethode waarin stakeholders samen een model bouwen om consensus en draagvlak te bereiken.
Theoretische achtergrond
Deel van het onderzoeksplan dat kritisch bespreekt wat de literatuur over het onderwerp weet; geen opsomming.
Consistentie (onderzoeksplan)
Criterium dat beoordeelt of probleem, vraag, theorie en methode op elkaar aansluiten.
Reflecteren
Kritisch nadenken over je eigen ideeën, gedachten en gevoelens en wat je daarvan leert.
Positionering
Het duidelijke standpunt waarmee het manifest eindigt en dat logisch volgt uit de reflectie.
APA 7
De zevende editie van de verwijsstijl van de American Psychological Association, verplicht voor beide eindproducten.
Pitch
Korte, overtuigende presentatie met als hoofddoel het publiek te overtuigen dat een idee de moeite waard is.
Pitch canvas
Hulpmiddel van Best3Minutes om een pitch op één pagina te structureren: pijn, product, uniek, bewijs, team en call to action.
Call to action
De expliciete actie die je aan het eind van de pitch aan het publiek vraagt.
Kracht van drie
Richtlijn om maximaal drie kernpunten te noemen omdat mensen die het best onthouden.
Publieksprofiel
Analyse van je publiek: uitdagingen, houding, kennis, interesses en grootste bezwaar.